EEN VERVANGINGSPAPA

 

 

Korte inhoud

 

 

Precies één maand voor ROBERT FIERENS met zijn verloofde RITA in het huwelijksbootje zal stappen, heeft zijn vader MEDART – omdat hij ten onrechte zijn vrouw MELANIE van ontrouw verdenkt – het ouderlijk huis verlaten.

 

Moeder en zoon hebben de eerste dagen de grootste stilte bewaard rond deze verdwijning. Maar omdat door deze omstandigheid het geplande huwelijk wel eens in gevaar zou kunnen komen, wordt de politie ingeschakeld.

 

INSPECTEUR BOL heeft zo zijn eigen opvattingen over deze zaak en ziet Mevrouw Fierens als verdachte nr.1 in één of ander complot.

 

Tot overmaat van ramp heeft AGNES TUDDEBIESE, een oude jeugdvriendin van moeder, die intussen al jaren in Australië woont, beslist om één week op vakantie naar België te komen en haar intrek te nemen ten huize Fierens.

 

Voor moeder is het een onmogelijke zaak om tegen haar vriendin uit te leggen dat haar man eruit getrokken is.

 

Voor Rita is de oplossing echter eenvoudig. Haar vader PAUL, die ook al veel jaren gescheiden is van zijn vrouw, zal wel enkele dagen bij mevrouw Fierens komen wonen en doen alsof hij haar man is. En Rita op haar beurt zal dan wel enkele dagen de dochter des huizes spelen en met andere woorden de zuster van Robert.

 

Zo gezegd, zo gedaan. Wat echter niemand wist is dat Agnes Tuddebiese ook haar dochter Betsy zou meebrengen. En wie kan het deze knappe meid kwalijk nemen dat ook zij haar ogen laat vallen op ‘vrijgezel’ Robert.

 

Decor

 

Achteraan links:                 - Toegang tot de hal.

Achteraan rechts:               - Toegang tot de veranda.

Rechtse muur:                   - Toegang tot de keuken

Linkse muur:                      - Toegang tot de slaapkamers

 

Op de scene:

 

. Tafel met zes stoelen

. Duozit en enkelvoudige zetel

. salontafeltje

. kastje 1 (medicamenten, schaar, fotoalbum)

. kastje 2 (draagbare telefoon, schrijfgerief)

 

De auteur

 

Eugeen Van Aerschot

Is reeds jaren actief als realisator en/of producer van diverse televisieprogramma’s en industriële films.

Op toneelgebied is hij regisseur en spelend lid van ‘Kamertoneel De Begijn’.

Van dezelfde auteur zijn de blijspelen:

. Trouwen van moetes

. Sexy Lingerie

. Intimo (samen met Eric Goyvaerts)

. Help Ze is in verwachting

. Amaai mijn darmen

En het boek: “Theater”, handboek voor theatermakers en toeschouwers, dat hij schreef met Hugo Meert.

 

Rollen   (5 heren / 4 dames) of (4 heren / 5 dames)

 

Médart (44 jaar) bijrol met weinig tekst

Melanie (42 jaar) hoofdrol met veel tekst

Robert (20 jaar) hoofdrol met veel tekst

Jos (21 jaar) bijrol met weinig tekst

Paul (46 jaar) gewone rol

Rita (19 jaar) grote rol

Agnes (42 jaar) gewone rol

Betsy (18 jaar) bijrol met weinig tekst

Inspecteur Bol  gewone rol  (man of vrouw)

 

Opm. Bol kan zowel een man als een vrouw zijn.

 


EERSTE BEDRIJF

 

 

ROBERT IS IN DE SALON-WOONKAMER AAN HET JOGGEN.

HIJ HEEFT EEN KOPTELEFOON OP ZIJN HOOFD.

DE TELEFOON RINKELT, MAAR ROBERT REAGEERT NIET.

IN DE ZETEL EN OP HET SALONTAFELTJE LIGT ROMMEL.

 

MOEDER OP.

 

MOEDER:       (Komt met een hoop wasgoed langs rechts de scene op en wandelt naar keukendeur (links).  Ze roept op Robert opdat hij de telefoon zou oprapen)

                       Robert !!!

                       Robert !!!

                       (ze stapt tot bij Robert en trekt de koptelefoon van zijn hoofd)

                       Hoor gij nu niet dat die telefoon rinkelt.

                       (ze stapt verder met wasgoed naar de keuken)

 

MOEDER AF.  

 

ROBERT:        (Neemt de draagbare telefoon)

                       Hallo...

                       ... Ah mijnheer pastoor...

                       ... Ja, ik weet het.  Ik ben er met Rita al een paar avonden serieus aan bezig geweest.  Tegen ‘t einde van de week zullen de teksten zeker af zijn. Als ge wilt zullen we de teksten volgende week komen brengen...

                       ...  Ja, dat moogt ge natuurlijk ook. Wanneer denkt ge dan te komen?

                       ... Nu vrijdag al?

... Awel ja, dat is goed. Ik zal zorgen dat Rita er dan ook is,  dan kunnen we samen alles nog eens doornemen...

                       ... Dat is afgesproken.  Tot vrijdag dan mijnheer pastoor.

                       (legt de telefoon neer en zucht)

 

MOEDER OP.

 

MOEDER:       (Komt met handdoeken vanuit de keuken binnen en legt alles op tafel)

                       Was ‘t onze pa?

 

ROBERT:        Nee...  ‘t was de pastoor.

 

MOEDER:       De pastoor?  Onze pa heeft toch niks voorgehad?

 

ROBERT:        Maar nee...  De pastoor zit te zagen achter de teksten voor ons trouwmis.

 

MOEDER:       Hoe?  Heeft hij die nu nog niet?

 

ROBERT:        Zeg eens ma....  dat schud ge zomaar niet uit uwen duim hé.  Daarbij, met die toestand hier de laatste dagen stond mijne kop daar ook niet naar.

 

MOEDER:       Ge had de pastoor veel beter zijn goesting laten doen, die heeft zelf toch teksten genoeg zeker.

                       Maar nee...  jullie konden dat natuurlijk beter...

 

ROBERT:        Ma, ik wil daar geen gezaag meer over hé.  Daarbij, dat was mijn gedacht niet hé om die teksten zelf te schrijven.

 

MOEDER:       Dan had ge dat maar uit Rita hare kop moeten praten.  Nu zit ge daar met de affronten.  De pastoor moet de teksten hebben en ik ben er zeker van dat er nog geen letter op papier staat.

 

ROBERT:        Ze zullen wel af zijn als hij ze vrijdag komt halen.

 

MOEDER:       Watte???  Komt de pastoor vrijdag naar hier?

 

ROBERT:        Ja zeg, ik kan daar ook niks aan doen hé. Ik heb hem eerst voorgesteld om ze zelf te brengen,  maar hij kwam liever naar hier.

 

MOEDER:       Maar Robert, hebt gij nu geen verstand? Ik doe al het mogelijke om iedereen uit ons huis te houden en dan laat gij de pastoor komen.  Allé... Hoe ga ik dat nu moeten uitleggen?

 

ROBERT:        ‘t Is nog maar woensdag hé ma...  tegen vrijdag kan onze pa al lang terug zijn.

 

MOEDER:       ‘t Is te hopen. 

Dat is nu al drie dagen dat hij het afgetrapt is en hij heeft nog geen woord van hem laten horen.

 

ROBERT:        En neemt nu eens dat onze pa voorgoed weg is... dan komen de mensen dat met de tijd toch ook te weten.

 

MOEDER:       Ja, zeker als gij iedereen maar naar hier laat komen...

                       Ik heb er in al die jaren al veel mee meegemaakt hé... maar nu is hij toch te ver aan ‘t gaan. En dàt met die trouw van jullie voor de deur. Hij kon er geen schoner moment uitgezocht hebben.

 

ROBERT:        Zeg dat wel.

 

MOEDER:       En dan nog voor zo’n ingebeelde prutsen... Allé, ziet ge mij nu al met andere mannen lopen.

 

ROBERT:        Ik weet niet ma...  gij moogt toch gezien worden.

 

MOEDER:       Ja... dat weet ik wel... Maar het was veel beter dat uwe pa zijn ogen eens wat meer gebruikte.  Ik heb hem zondag met hand en tand aan zijn verstand willen brengen, dat ‘t nu eens gedaan moet zijn met al die achterdocht. Maar ik wist ‘t al lang... ermee discussiëren dàt is onmogelijk... En ge kent hem hé, als hij ‘t niet kan halen, dan trapt hij ‘t af.

 

ROBERT:        Deze keer is hij dan toch aan een serieuze wandeling begonnen.

                       Zeg ma,  zou het niet kunnen dat onze pa zelf ergens één of ander griet heeft zitten.

 

MOEDER:       Robert!!!  Let een beetje op je woorden!

 

ROBERT:        Dat is toch mogelijk... hij moet toch ergens overnachten.

 

MOEDER:       Bij zijne bureauchef, daar zal hij wel zitten. Die mens kan daar tegen als ze hem een hele dag overzagen.

 

ROBERT:        Nu niet voor ‘t één of ‘t ander hé... maar ik heb deze voormiddag eens naar zijn werk getelefoneerd... en daar hebben ze onze pa ook al twee dagen niet gezien.

 

MOEDER:       Dan is hij ook al niet gaan werken???

 

ROBERT:        Blijkbaar niet.

 

MOEDER:       Och, ik mag er niet aan denken, straks is hij zijn werk nog kwijt ook.  Maar ge moogt het gerust weten hé,  als ik er iets van krijg... dan heeft hij het op zijn geweten.

                       (tast aan haar hart)

                       Robert, geeft mij nog eens een rood pilleke, want mijn hart is weer volop aan ‘t brubbelen.

 

ROBERT:        (gaast naar de kast om een pilletje te nemen)

                       Allé, zijt maar een beetje kalm.

                       Zeg ma... volgens mij moeten we dat toch stilletjes aan tegen Rita gaan uitleggen.  Dat van die overuren blijft dat meiske niet geloven.

 

MOEDER:       We kunnen toch niet gaan zeggen dat onze pa eruit getrokken is, wat moet dat kind dan wel denken.

 

ROBERT:        Die zal dat wel verstaan. Die heeft dat vroeger toch ook meegemaakt,  toen haar moeder ‘t afgetrapt is.

                       (geeft pilletje aan ma)

 

MOEDER:       Och, waar kan die nu toch zitten... en de schandalen die hij over ons familie haalt,  daar denkt meneer natuurlijk niet aan.

 

ROBERT:        En pak nu eens dat hij niet terug komt... hoe zit dat dan volgende maand met onze trouw?

 

MOEDER:       Dan zal dat moeten uitgesteld worden hé... en dan is ‘t schandaal compleet.

 

ROBERT:        Onze trouw uitstellen... dàt bestaat niet.

 

MOEDER:       Maar allé Robert, dat gaat toch niet anders.

 

ROBERT:        En waarom niet?  ‘t Is met Rita dat ik trouw hé,  en niet met onze pa!

 

MOEDER:       Och,  misschien is het toch ‘t beste dat we de politie inschakelen.

 

ROBERT:        Als ge ‘t mij vraagt, is het hoog tijd.  Mijn heel toekomst staat op het spel.

                       (neemt de draagbare telefoon en een telefoonboek)

 

MOEDER:       Ik weet alleen niet goed hoe ik dat tegen die mannen moet gaan uitleggen.

 

ROBERT:        Gewoon zoals het is.

 

MOEDER:       (pakt weer naar haar hart)

                       Ik moet er eerst toch nog eens over nadenken. Daarbij mijn hart is voor het moment helemaal overstuur.

 

ROBERT:        Dat pilleke zal seffes wel werken. Vooruit, belt eerst maar, want ik ken dat, anders komt er weer niks van in huis.

                       (heeft het nummer intussen opgezocht)

                       Hier se, dat is het nummer.

 

MOEDER:       (draait het nummer)

                       Hallo, U spreekt met mevrouw Fierens...  Wilt U mij verbinden met de dienst van de vermiste personen?

                       ... Fierens.  Melanie.

                       ... Mijn man,  al drie dagen.

                       ... Drie ja.

                       ... Maar meneer ik kan zelf niet komen,  de sleutels van onze auto zitten in Médart zijne zak.

... In de Predikherenstraat 5.

... Ja natuurlijk is er iemand thuis.

... Dank U wel meneer.

(haakt hoorn in)

 

ROBERT:        En???

 

MOEDER:       Ze gaan iemand sturen.

 

ROBERT:        Inspecteur Columbo in hoogsteigen persoon.

 

MOEDER:       Hou je maar een beetje in en denk er liever eens over na wat we juist gaan zeggen.

 

ROBERT:        Ik zou maar beginnen met een foto te zoeken.

 

MOEDER:       Een foto?

 

ROBERT:        Natuurlijk. Ge gaat die mannen toch geen robottekening van onze pa laten maken zeker.

 

MOEDER:       Ziet ge nu wel!!!  Hoe dikwijls heb ik hem niet gezegd dat hij eens een foto moest laten maken met zijn nieuw kostuum. Maar ‘t was altijd hetzelfde... mijnheer pakt niet op papier.

                       (pakt uit de kast een doos met foto’s)

                       Waar ga ik nu een deftige foto van hem moeten vinden.

 

ROBERT:        Pakt er éne uit jullie trouwalbum.

 

MOEDER:       Daar zullen ze nogal iets mee zijn. Daar staat hij nog op met al zijn haar.

 

ROBERT:        (wijst naar foto die op de kast staat)

                       Hier, die groepsfoto van op zijn werk.

 

MOEDER:       En een cirkeltje rond zijne kop trekken zeker.

 

ROBERT:        Maar nee ma,  ge kunt er de rest toch afknippen.

 

MOEDER:       Er zal wel niks anders opzitten...(neemt schaar)

 

ROBERT:        (zet de muziek aan)

                      

MOEDER:       Robert!  ge gaat nu toch geen lawaai beginnen maken.  Allé vooruit,  zet dat ding af...

                       (Robert zet de muziek af)

en doet die rommel uit de zetel...

(Robert pakt rommel en legt alles op het salontafeltje)

... en maakt dat tafeltje leeg.

 

ROBERT:        Amaai ma... als gij het op uw seskes hebt, dan ziet gij ook overal rommel liggen. (begint op te rommelen)

 

ER WORDT GEBELD.

 

MOEDER:       Dat kan toch niet dat de politie nu al daar is.

 

ROBERT:        Ik zal weg gaan zien.

(gaat naar de haldeur en laat de inspecteur binnen)

 

ROBERT AF

 

MOEDER:       (Legt haastig de schaar weg. Ze weet niet goed waar ze met de foto moet blijven en steekt hem in haar BH)

 

ROBERT EN BOL OP.

 

BOL:               (komt in burgerkledij de kamer binnen)

Gegroet Madammeke. Mijn naam is Bol, Inspecteur Bol van de politie.

 

MOEDER:       Dat wist ik nu niet se dat ze bij de politie zo rap zijn.

 

BOL:               Dat is een beetje toeval geweest. Ik stond met de combi op de hoek van de straat toen ik de oproep hoorde. En omdat ik toch in de buurt was, ben ik maar direct langs gekomen.

                       Bon. Madammeke, u zit dus met een probleem.

 

ROBERT:        Inspecteur, het probleem is, dat mijn vader verdwenen is.

 

BOL:               Aha... en uw vader, dat is waarschijnlijk uwe man?

 

MOEDER:       Precies inspecteur.

 

BOL:               Juist ja. Dan bent u dus haar zoon, dat is tenminste al duidelijk.

                       En madammeke, hoe laat hebt u de verdwijning vastgesteld?

 

MOEDER:       Hoe laat? Maar inspecteur toch, onze Médart is al drie dagen weg.

 

BOL:               Al drie dagen...  ja ja ja...

 

MOEDER:       Ja, in ‘t begin dacht ik dat ‘t maar voor een uurke of zo ging zijn.

 

BOL:               Madammeke, als u mij toestaat? dan moet ik daar toch even bij gaan zitten, want ik heb het gevoel dat het hier nog heel interessant gaat worden... (zet zich neer aan tafel)

 

MOEDER:       (scharrelt de handdoeken die op tafel liggen bijeen)

Allé Robert, draag die handdoeken eens naar achter.

 

ROBERT:        (neemt de handdoeken aan en gaat ermee naar de keuken)

 

ROBERT AF.

 

BOL:               Dus madammeke, drie dagen geleden verdwijnt uwe man. U dacht dat hij maar voor een uurtje ‘foetsji’ was... en nu,  drie dagen later maakt u zich pas zorgen?

 

MOEDER:       Ja.

 

BOL:               Juist ja. En doet uwe man dat misschien meer, zo af en toe eens verdwijnen?

 

MOEDER:       Nee...  niet speciaal.

 

BOL:               DUS... als ik u goed begrijp, is dit de eerste keer dat uwe man... zonder verklaarbare uitleg weg is?

 

MOEDER:       Juist inspecteur.

 

BOL:               Dat hij zogezegd spoorloos is?

 

MOEDER:       ja.

 

BOL:               En dat u zich daarover pas na drie dagen zorgen maakt.

 

MOEDER:       Euh... ja.

 

BOL:               Juist ja.

 

ROBERT OP.

 

BOL:               En hebt u ondertussen al bij familie of vrienden geïnformeerd?

 

MOEDER:       Nee...  eigenlijk niet.

 

BOL:               U hebt hier dus gewoon rustig blijven afwachten tot hij terug zou komen.

 

MOEDER:       Ja.

 

BOL:               Juist ja.

                       Het stak misschien ook niet zo nauw wanneer hij terugkwam.

 

MOEDER:       Maar enfin inspecteur...

 

BOL:               Madammeke,  met alle respect,  ik zit al jaren in dit vak en mijn neus zegt mij nu al dat aan dit zaakje een reukje zit.

 

MOEDER:       Een reukje...  wat bedoelt ge daarmee?

 

BOL:               Wel,  laat me zeggen...  een parfum mystérieux....

 

MOEDER:       Maar inspecteur,  gij wilt toch niet zeggen...

 

BOL:               Ik zeg helemaal niets madammeke...  Mijn taak is vragen te stellen en ten gepaste tijd trek ik daar mijn conclusies uit.

                       Tussen haakjes, heeft uwe man soms één of andere levens-verzekering?

 

MOEDER:       Een levensverzekering? Wat heeft dat daarmee te maken?

 

BOL:               Madammeke, ik stel hier de vragen... een levensverzekering ja of nee?

 

MOEDER:       Ja,  dat zal wel zeker.

 

BOL:               Ik had het kunnen denken.

 

MOEDER:       En waarom denkt gij dat dan inspecteur?

 

BOL:               Omdat dàt er gewoonlijk iets mee te maken heeft. En als ik mij niet vergis, dan weet ik nu al in welke richting er moet gezocht worden.

 

MOEDER:       (heel ernstig. Pakt naar haar hart)

                       Jamaar inspecteur...  Gij denkt toch niet dat Médart dood is?

 

BOL:               Een compliment madammeke...  u speelt uwe rol voortreffelijk.

 

MOEDER:       Mijne rol???  Wat bedoelt ge daar nu weer mee?

 

BOL:               Madammeke, hebt u een minnaar?

 

MOEDER:       Wie? Ikke? Waar haalt ge het? Gij zijt al even erg als onze Médart met al die insinuaties.

 

BOL:               Ah zo... uwe man was er dus van op de hoogte.

 

MOEDER:       Waarvan?

 

ROBERT:        (Komt tot bij inspecteur) Inspecteur,  met alle respect,  maar gaat dit niet een beetje te ver?

 

BOL:               Te ver? Ik ben nog maar pas bezig. Maar ik moet toegeven dat er op deze korte tijd bij mij al veel klokken aan het luiden zijn.

 

MOEDER:       En ik heb de indruk dat ge de klepels toch nog juist niet weet hangen.

 

BOL:               (staat recht) Ik zal ze wel vinden madammeke en misschien nog sneller dan u verwacht. Ach ja,  hebt U misschien een recente foto van het slachtoffer?

 

MOEDER:       (Haalt foto uit haar BH) Hier se, maar doet hem niet verloren,  want het is de enigste die ik heb.

 

BOL:               (Bestudeert de foto aandachtig) Goed.  Madammeke,  ik moet u wel verzoeken de eerste dagen stand by te blijven.

 

MOEDER:       Stand by inspecteur?

 

BOL:               Daarmee wil ik zeggen dat u ter beschikking moet blijven. Dat wil dus zeggen dat u het huis niet te verlaten.

U hoort spoedig nog van mij. (gaat naar de deur)

                       En doet U vooral geen moeite,  de buitendeur vind ik wel.

                      

BOL AF.

 

ROBERT:        (kijkt even in de hal of Bol inderdaad weg is) Hij is weg.

 

MOEDER:       Dat vind ik nu straf se. Onze pa trapt het af. Om goed te doen verwittigt een mens de politie en dan begint die bietekwiet van alles te bazelen over levensverzekeringen en minnaars.

 

ROBERT:        Niks van aantrekken ma.  ‘t Kan goed zijn dat ze onze pa binnen een uur al gevonden hebben.

 

MOEDER:       ‘t Is te hopen,  maar ik heb er in ieder geval geen goed oog in.  En waarom zou ik nu in huis moeten blijven?

 

ROBERT:        Dan kunnen ze het direct laten weten als ze hem gevonden hebben.

 

MOEDER:       Denkt ge dat het daarvoor is?

 

ROBERT:        Waarom anders?

 

DE DEURBEL GAAT.

 

RITA:             (Roept van in de gang)

                       Ik ben het!

 

RITA OP.

 

RITA:             (komt via de hal de kamer binnen)

                       Dag Melanie,  alles goed?

                       En hoe is ‘t met mijne snoes? (geeft zoentje aan Robert)

 

ROBERT:        Everything is under controle, allé voor het moment toch nog.

 

RITA:             Onze pa heeft een broek meegegeven waar de plekken niet uitgaan.

 

MOEDER:       Laat eens zien kinneke.

 

RITA:             Zeg, wie was die mijnheer die hier net buiten ging?

 

MOEDER:       Die meneer... euh...

 

ROBERT:        Och, dat was een vertegenwoordiger die kwam proberen de één of ander levensverzekering aan te smeren.

 

RITA:             Iemand van de verzekeringen en die rijdt zomaar rond in een politiewagen.

 

MOEDER:       In een politiewagen?

 

ROBERT:        Zeg ma, dan klopte dàt verhaal van hem toch, dat zijn broer bij de politie is...

 

MOEDER:       Ja, hij zal waarschijnlijk die zijn auto geleend hebben.

                       Met wat bruin zeep zal ik er die plek daar wel uit krijgen.

 

RITA:             Dan zal onze va heel content zijn.

Zeg is Médart nog niet thuis?

 

MOEDER:       Och kinneke,  ik zal op zijn werk eens van mijn oren gaan maken. Dat is nu toch geen doen hé, dat ze daar om de haverklap moeten overwerken.

 

RITA:             Allé gij...  dat is toch goed voor hem.  Daarbij, overuren worden dubbel betaald... dat doet hij zeker om voor ons een schone trouwcadeau te kunnen kopen, hé snoes.

 

MOEDER:       Zeg mannekes, zou het niet stilaan hoog tijd worden dat ge de teksten voor jullie trouwmis eens gaat schrijven.

 

ROBERT:        Da’s waar ook, de pastoor heeft gebeld, hij komt ze vrijdag halen.

 

RITA:             Vrijdag al?  Allé snoes en we hebben nog niks.

 

MOEDER:       Had ik het niet gedacht se. Allé, begint er dan maar direct aan. Ik zal in de keuken ‘t eten gaan klaarmaken.

 

ROBERT:        Wat eten we?

 

MOEDER:       Patatten met de overschot van gisteren.

 

ROBERT:        Jamaar nee hé ma... toch weer geen bonen?

 

MOEDER:       Hoe weeral bonen? Is dat nu zo erg?

 

ROBERT:        ‘t Is precies of gij aandelen hebt in één of ander bonenfabriek.

 

MOEDER:       Onder den oorlog...

 

ROEBERT:      ... jaja,  dat verhaal ken ik al. Maar voor ‘t moment is het geen oorlog.

 

MOEDER:       Allé vooruit, begin maar te schrijven.

                       (gaat weg naar keuken)

 

MOEDER AF.

 

ROBERT:        (pakt wat papier uit de kast)

                      

RITA:             Eet gij niet graag bonen snoes?

 

ROBERT:        Als ge ons moeder moest laten doen, dan aten we elke dag bonen.

 

RITA:             Ge zijt aan’t overdrijven hé.

 

ROBERT:        Maar ‘t is toch waar zeker... vandaag bonen, gisteren bonen en verleden week ook al twee keer.

 

RITA:             Da’s toch niks. Bonen zijn gezond. Ze zeggen dat ge daar goed kunt van...

 

ROBERT:        ... daar heb ik geen bonen voor nodig.

 

RITA:             Snoezeke, kom eens hier, want gij zijt precies slecht gezind.

 

ROBERT:        Ja zeg, dat was ook een gedacht om tegen de pastoor te zeggen dat wij ons teksten zelf zouden maken.

 

RITA:             Nicole en Alex die hebben hun trouwmis toch ook zelf opge­steld...  en toen hebt ge zelf gezegd dat dàt heel tof was.

 

ROBERT:        Die Alex hé,  die werkt bij de belastingen. Dat zijn mannen die kunnen schrijven.

 

RITA:             Maar dat kunt gij toch ook.

 

ROBERT:        Ik kan er niet aan doen hé, maar vandaag staat mijne kop er niet naar.

 

RITA:             Wat is er dan met ‘t kopke van mijne snoes.

 

ROBERT:        Allé,  laat me gerust.

 

RITA:             Zeg eens,  gij doet zo raar.

 

ROBERT:        Ik doe helemaal niet raar.

 

ER WORDT GEBELD

 

ROBERT:        Wat nu weer?

 

ROBERT GEEFT BLAD PAPIER AAN RITA EN GAAT NAAR DE HAL.

 

ROBERT AF.

 

RITA SCHRIJFT WAT OP HET BLAD.

 

ROBERT OP.

 

KOMT VANUIT DE HAL MET EEN TELEGRAM IN ZIJN HANDEN OP

 

ROBERT:        ‘t Was de facteur...  met een telegram uit Melbourne.

 

RITA:             Uit Australië... dat is ook niet bij de deur.

 

ROBERT:        Van een zekere mevrouw Agnes Tuddebieze.

                       Wat is dat nu voor een naam... Tuddebiiiiiez

                       Voor de familie Fierens.

                       Daar ben ik dus ook bij. Laat me eens zien wat voor nieuws dat die Tuddebies heeft. (begint te lezen)

                       ... Zeg dat ‘t niet waar is!

 

RITA:             Wat schrijft ze snoes?

 

ROBERT:        MAAA!!!!

 

RITA:             Wat is er snoes?

 

ROBERT:        MAAA!!!!!

 

RITA:             Wat schrijft ze?

 

ROBERT:        MAAAA!!!!!!

                       Als ons ma dat leest hé, dan gaat haar hart serieus beginnen overbrubbelen.

 

RITA:             Overbrubbelen?

 

ROBERT:        MAAAAAA!!!!!!!!!

                       Pak maar een glas water,  want ons ma zal ‘t nodig hebben.

 

RITA SCHENKT WATER IN EEN GLAS.

 

MOEDER OP.

 

MOEDER:       Zeg eens, wat is er? Ge roept de heel buurt bijeen.

 

ROBERT:        Hier, een telegram uit Australië.

 

MOEDER:       Hij zit toch niet aan de andere kant van de wereld?

 

ROBERT:        Nee...  het is van een zekere Tuddebies.

 

MOEDER:       Van Agnes?  Vooruit, laat mij eens zien.

                       (neemt de telegram en leest)

                       ... Al die jaren heb ik vaak aan jullie gedacht. Totaal onverwachts  heb ik nu de kans om naar België te vliegen. Donderdag middag om 13 uur land ik op de luchthaven.

                       Donderdag?!?  Dat is morgen!!!

                       ... Ik weet dat jullie mij gastvrij zullen ontvangen. Daarom heb ik het zo geregeld dat ik een hele week bij jullie kan blijven....

                       Awel merci,  dat heeft ze ferm gearrangeerd!

                       ... zo kan ik eindelijk eens kennis maken met Uw lieve man en Uw twee zonen.

                       Zeg dat het niet waar is,  zeg dat het niet waar is.

 

ROBERT:        (neemt het glas water aan van Rita)

                       Hier,  neem maar een pilleke voor ge ‘t weer aan je hart krijgt.

 

MOEDER:       Als dàt waar is hé,  dan moet ik mijn heel apotheekkast innemen.

 

RITA:             Wie is die Agnes eigenlijk?

 

MOEDER:       Och kind...

 

ROBERT:        Awel ja,  dat zou ik nu ook eens willen weten se.

 

MOEDER:       Toen ik nog jong was hé, toen was Agnes mijn boezemvriendin.

                       En toen ze achttien was, is ze met haar ouders naar Australië geëmigreerd. In het begin hebben we nog dikwijls geschreven, ge weet hoe dat dàt gaat.  Maar nu is het al jaren geleden dat ik nog iets van haar gehoord heb.

 

RITA:             Maar Melanie, dat is toch tof als ge een oude vriendin na jaren kunt terugzien...

 

MOEDER:       Och kind,  ‘t is een echte ramp.

 

ROBERT:        Ik vind dat we nu maar beter alles kunnen opbiechten.

 

RITA:             Opbiechten... heeft mijne snoes iets uitgestoken?

 

ROBERT:        Ik niet néé.

 

RITA:             Ik kan van geen kanten volgen.

 

MOEDER:       Luister kinneke...  allé, hoe moet ik dat nu zeggen...

 

ROBERT:        Ons ma en onze pa hebben een paar dagen geleden wat woordekes gehad en in ‘t midden van de discussie is onze pa het afgetrapt.

 

MOEDER:       Ja, dat is typisch voor hem. Als hij ‘t niet kan halen,  dat trapt hij het af.

 

ROBERT:        We hebben het tot nu toe zo stil mogelijk willen houden...

 

MOEDER:       Ge moet dat verstaan hé kinneke,  voor de schandalen...

 

RITA:             Ik versta dat wel.

 

MOEDER:       En op zo’n moment beslist Agnes om eens een week naar hier te komen.  Nu zal ze onze Médart eens komen be­won­deren. Ze had er geen beter moment kunnen uitkiezen.

 

RITA:             Ge kunt ‘t haar toch gewoon uitleggen.?

 

MOEDER:       Hoor ge ‘t mij al uitleggen:  Agnes, dit is mijn lieve zoon Robert.  En dat is Rita, mijn toekomstige schoondochter. En mijne man, die zijn ze nog aan ‘t zoeken, want die ben ik al een paar dagen kwijt. Dat mens vliegt op slag terug van het verschieten.

 

ROBERT:        Da’s goed, dan zijn we er direct van af.

 

RITA:             In ‘t hospitaal... zeg tegen uw vriendin dat Médart in het hospitaal ligt...  geopereerd aan het één of ‘t ander.

 

ROBERT:        Zijn muniskussen stonden op halfzeven.

 

MOEDER:       Ah neen. Dan zal ze hem zeker willen gaan bezoeken.

 

ROBERT:        En als ge nu eens gewoon zegt dat hij voor zijn werk naar het buitenland is.

 

MOEDER:       Dat gelooft ze nooit.

 

ROBERT:        En waarom niet?

 

MOEDER:       Ik heb vroeger in mijn brieven altijd wat overdreven.  Agnes denkt dat onze pa zo éné is die geen vijf minuten zonder mij kan.

 

ROBERT:        Da’s ook serieus overdreven.

 

MOEDER:       Ik heb het altijd gezegd, een ongeluk dat komt nooit alleen.

 

ROBERT:        Zeg eens ma, heeft die Tuddebies onze pa ooit al gezien.

 

MOEDER:       Gezien niet. Ze is vertrokken voor wij getrouwd waren.

 

RITA:             Wacht eens...  als ik er nu eens met ons vake over sprak?

 

ROBERT:        Met Paul?

 

MOEDER:       Neenee kinneke,  laat dat maar, de schandalen zijn al groot genoeg.

 

RITA:             Ge verstaat ‘t niet... Ik zou hem kunnen vragen om een paar dagen naar hier te komen.

 

MOEDER:       Naar hier?  En dan???

 

RITA:             Ons vake zou toch kunnen doen dat hij hier woont.

 

MOEDER:       Ge bedoelt... ik met Paul?

 

RITA:             Ah ja, waarom niet? Onze vake is toch de hele dag thuis. En of hij nu ginder zit of hier, dat is voor hem juist hetzelfde.

 

MOEDER:       Nee, zoiets, dat gaat niet. Na vijf minuten heeft Agnes dat door.

 

RITA:             Daar moet ge geen schrik voor hebben... Onze vake kan goed genoeg toneel spelen, die is lang genoeg politieker geweest.

 

ROBERT:        Awel, ik vind dat absoluut geen slecht gedacht.

 

MOEDER:       En denk ge dat Paul dat zomaar gaat willen doen?

 

RITA:             Onze vake zal blij genoeg zijn dat hij nog eens een vrouw heeft.

 

MOEDER:       Hoe nog eens een vrouw?

 

RITA:             Bij wijze van spreken hé Melanie. Als ik hem dat uitleg, dan doet hij zeker mee.

 

ROBERT:        En Rita kan dan hier ook blijven. Ze kan mijn zuster spelen.

 

RITA:             Hé ja snoes, dat zou tof zijn hé.

 

MOEDER:       Maar Agnes weet toch dat ik geen dochter heb.

 

ROBERT:        Een beetje fantasie hé ma. Ge kunt toch zeggen dat Rita een nakomelingske is.

 

MOEDER:       Een nakomelingske dat bijna even oud is als gij zeker.

 

ROBERT:        Och ma,  ge hebt over Rita geschreven in een brief die verloren gegaan is en daarmee uit.

 

RITA:             En eigenlijk is het niet gelogen hé, want ik ben een dochter van onze vake.

 

MOEDER:       Jamaar ik ben met Paul niet getrouwd hé.

 

RITA:             Ik dàt geval bij wijze van spreken wel hé Melanie...

 

ROBERT:        Voila se, zo simpel is dat. En zo is Rita bij wijze van spreken mijn zus.

 

MOEDER:       Het wordt allemaal hopeloos ingewikkeld.

 

ROBERT:        Maar allé ma, daar is nu eens nikske ingewikkeld aan. Dat verstaat het kleinste kind.

 

RITA:             En dan slaap ik bij u hé snoes.

 

MOEDER:       Niks van.

 

ROBERT:        Hoe ma?  Gij hebt er toch nog nooit iets van gezegd als wij bijeen sliepen.

 

MOEDER:       Niet toen jullie nog verkeerden. Maar in dit geval zijn jullie broer en zus.

 

ROBERT:        Dat heeft daar toch niks mee te maken.

 

MOEDER:       Nee... Dat heeft er juist alles mee te maken. En dat verstaat ook ‘t kleinste kind.  Daarbij, zover zijn we nog niet hé.

 

RITA:             Ik zal onze vake eens gaan halen, ge zult zien dat hij het goed vindt. (stapt richting hal)

 

MOEDER:       Jamaar Rita...

 

RITA:             ‘t Is vlak naast de deur,  ik ben direct terug se.

                       (Rita gaat weg langs haldeur)

 

RITA AF.

 

MOEDER:       Een echt zottekeshuis wordt het hier. En ge gaat zien hé, dat gaat nooit goed aflopen.

 

ROBERT:        En waarom niet?  Als iedereen zijne mond houdt, dan komt die Tuddebies dat nooit te weten.

 

MOEDER:       En als onze pa nu ondertussen eens thuis komt? Gaat ‘t dan maar expliceren.

 

ROBERT:        Voor ‘t zelfde geld kan die nog een heel week wegblijven ook.

 

MOEDER:       Och, ik vraag me zelfs af of die er wel aan gedacht heeft om wat geld mee te nemen.

 

ROBERT:        Misschien is hij wel aan d’één of d’ander overlevingstocht begonnen. ‘t Kan goed zijn dat hij nu slakken en hagedissen aan het eten is.

 

MOEDER:       Zoiets gaat hij toch niet doen zeker.

 

ROBERT:        Bij het leger doen ze dàt toch ook. Vraag dat maar eens aan onze Jos, als die terug is van de maneuvers.

 

MOEDER:       Bah zo’n viezigheid in zijne mond.  Hij moet er niet aan denken dat hij een kus krijgt als hij thuis komt.

                       Daarbij, die zal nogal oogskes trekken als die hier binnen komt.

 

ROBERT:        Daar moet ge u niks van aantrekken. Ge zegt gewoon dat we een vervangingspapa nodig hadden.

 

MOEDER:       Een vervangingspapa en gij denkt dat dàt gaat pakken.

 

ROBERT:        Dat zullen we dan wel zien.  Als Paul nu nog wil meewerken se, dan zijn we voorlopig toch uit de puree geholpen.

 

MOEDER:       Puree!!!  Oeioeioei,  mijn bonen staan nog op ‘t vuur!

                       (moeder loopt naar de keuken)

 

MOEDER AF.

 

ROBERT:        Die zullen er lief uitzien.  ‘t Zal ze leren van altijd bonen te maken.

                       (Robert legt het leeg papier terug weg)

                       Zo mijnheer pastoor,  ik denk dat gij nog een paar dagen geduld zult moeten hebben.  Daarbij, met uw zuster trouwen... dat is door de wet verboden.

 

MOEDER OP.

 

MOEDER:       (komt vanuit de keuken binnen. Ze heeft een kookpot vast)

                       Zie dat nu eens aan. Al het water is eruit gekookt. Daar is niks meer van te maken.

 

ROBERT:        (gaat met heimelijk plezier in de pot kijken)

De nieuwe echtgenoot zal verschieten van jouw kooktalent.

 

MOEDER:       Dat komt allemaal omdat ik overstuur ben. Met al dat gedoe kan ik mijn gedachten nergens serieus bijhouden.

 

ROBERT:        Allé ma, zet dat eten nu maar uit je hoofd. Daarbij, voor ‘t moment heb ik toch gene honger.

 

MOEDER:       Ik maak er toch zonde van.

 

ROBERT:        Op een portie bonen zal ‘t  wel niet steken zeker. 

                       Vooruit,  doe die kom weg en zet de keukenvenster open,  dat er wat frisse lucht naar binnen komt.  En kamt eens door jouw haar, en maak jouw lippen wat rood.  Ge ziet er nogal uit voor iemand die op het punt staat een nieuwe vent te krijgen.

 

MOEDER:       En doe gij nu eens eindelijk die rommel uit de zetel,  ‘t is hier juist een voddenmarkt. (gaat met pot naar de keuken)

 

MOEDER AF.

 

ROBERT:        (immiteert moeder) En doe nu eindelijk eens die rommel uit de zetel,  het is hier juist een voddenmarkt.

 

DEURBEL RINKELT.

 

ROBERT:        Wat nu weer?

 

RITA:             (roept vanuit de hal) Ik ben het snoes.

 

RITA EN PAUL OP.

 

RITA:             (komt de kamer binnen gevolgd door Paul)

                       Zo rap ben ik nog nooit geweest hé snoes.

 

PAUL:            Allé Robert...  wat hoor ik allemaal...  ‘t is toch niet waar hé.

 

ROBERT:        Jaja, van zondag al. Gewoon parti.

 

PAUL:            ‘t Is toch niet waar hé...  en wat gaat ge nu doen?

 

ROBERT:        Wachten tot hij terug is zeker.

 

PAUL:            Allé,  hoe is dat nu mogelijk.

 

ROBERT:        En daar is iemand van de politie geweest en ‘t was precies of die ons ma al van ‘t één of ‘t ander verdacht.

 

PAUL:            Melanie???  Maar allé,  ‘t is toch niet waar hé.

 

ROBERT:        Ons ma heeft zelfs een stand by gekregen.

 

PAUL:            Toch niet aan haar hart?

 

ROBERT:        Maar nee, ze moet gewoon thuis blijven.

 

MOEDER OP.

 

MOEDER:       (komt vanuit de keuken) Ah Paul. Ge zijt er al.

 

PAUL:            Jaja Melanie, ik heb zomaar in de rapte mijne jas aangeschoten. Ge moet daar niet te hard op letten hé.

 

MOEDER:       Och Paul, voor mij zijt gij zo goed genoeg.

 

PAUL:            Zeg Melanie, wat hoor ik hier allemaal.

 

MOEDER:       ‘t Is niet voor niks hé dat een mens het aan zijn hart krijgt.

 

PAUL:            Zwijg stil, ik ben er zelf niet goed van. Zeg, Médart zal toch niks voorgehad hebben zeker.

 

MOEDER:       Wat zou het...  gewoon te fier om terug te komen, dat is het. Maar ondertussen zit ik hier wel in de miserie.

 

PAUL:            Jaja, zegt dat wel.

                       Melanie,  als ik iets kan doen... op mij kunt ge rekenen hé.

 

MOEDER:       Dat weet ik Paul.

Hebt ge ‘t probleem al uitgelegd Rita?

 

RITA:             Ik heb alleen maar verteld dat uw vriendin uit Australië op komst is. De rest kunt ge misschien beter zelf zeggen.

 

MOEDER:       Ikke,  gij zijt een schoon... ‘t was verdorie jouw gedacht.

 

RITA:             Melanie zou graag hebben dat wij hier een paar dagen blijven logeren.

 

PAUL:            Och, als ‘t dat maar is.  Ik versta dat toch Melanie, dat gij al dat werk niet alleen gedaan krijgt.  Dat is nu een kleintje hé om wat te komen helpen.

 

MOEDER:       Och Paul,  dat is ‘t niet...

 

ROBERT:        Allé, ik zal ‘t maar uitleggen zeker.

                       Ons ma durft tegen haar vriendin niet zeggen dat onze pa er vandoor is.  En daarom zou ze graag hebben dat gij enkele dagen zijn plaats komt innemen.

 

PAUL:            Maar allé Robert, zwaanst nu niet hé.

                       Melanie... ‘t is toch niet waar zeker?

 

RITA:             Jawel vake, en dan speel ik jullie dochter,  hé snoes.

 

PAUL:            Melanie, dat kunnen wij nu toch niet gaan doen.

 

MOEDER:       Ik heb ‘t hen ook gezegd.

 

RITA:             En waarom niet vake?  Gij hebt vroeger toch nog toneel gespeeld.

 

PAUL:            Jaja,  vroeger.

 

RITA:             Awel,  dit is juist hetzelfde. Ge moet alleen maar doen alsof.

 

ROBERT:        Die vriendin kent onze pa toch niet.  Die gaat dus helemaal niks in de gaten hebben.

 

PAUL:            Jamaar Melanie...  En wat moet ik dan doen?

 

ROBERT:        Ge doet gewoon alsof dat gij hier woont.  Dat gij onze pa zijt.

 

RITA:             En Melanie is uw vrouw.

 

PAUL:            Melanie,  wat hoor ik allemaal...  ‘t Is toch niet waar hé.

                       Zeg... en de Médart?  Wat gaat die daarvan zeggen?

 

MOEDER:       Dan had onze Médart maar thuis moeten blijven. Dit hier, dat is een geval van...  hoe zeggen ze dat weer?

 

ROBERT:        Heirkracht.

 

MOEDER:       Ja,  heirkacht. En daar zal Médart het moeten mee stellen.

 

PAUL:            Wilt ge nu geloven dat mijne buik begint raar te doen.

 

RITA:             Da’s van de zenuwen vake. Ge moet maar denken dat ge last hebt van plankenkoorts.

 

PAUL:            Jamaar allez,  en wat moet ik dan doen?

 

MOEDER:       Luistert Paul, gij komt hier gewoon naast mij in de zetel zitten...  en we laten Agnes zoveel mogelijk vertellen.  Dan kunnen we zelf niks miszeggen.

 

PAUL:            Dat ook nog.  Ik weet eigenlijk niks van vroeger hé Melanie.  Allé, als die nu iets vraagt,  dan ga ik mij constant verspreken hé.

 

RITA:             Zeg eens vake,  gij kunt toch doen dat ge tandpijn hebt.

 

ROBERT:        Dat is het! Een zwaar abces op uwe wijsheidstand. Dan moet ge helemaal niks zeggen.

 

RITA:             Ah ja vake, we binden een handdoek rond uwe mond en het is opgelost.

 

PAUL:            Zwaanst nu niet hé...  ziet ge mij nu zoal zitten?

 

MOEDER:       Jamaar Paul... zo’n slecht gedacht is dat nu toch ook niet.

 

RITA:             Bijlange niet. ‘t Zal zijne gemakkelijkste rol zijn die hij ooit al gespeeld heeft...  hé vake.

 

PAUL:            Mijne gemakkelijkste rol...  dat denkt ge maar.

 

RITA:             Och vake... ge moet af en toe eens knikken en voor de rest blijft ge gewoon stilletjes zitten.

 

PAUL:            Ja, zoals een schoothondje dat braaf naast zijn bazeke mag zitten. Woef woef.

 

MOEDER:       Maar ge gaat dan wel een goed bazeke hebben,  daar moet ge niet ongerust over zijn.

 

PAUL:            Ja Melanie,  dat is hier toch ‘t één en ‘t ander hé.

                       Zeg... En hoe gaat dat dan ‘s nachts gebeuren?

 

RITA:             Gij kunt hier toch gemakkelijk in de zetel blijven slapen.

 

MOEDER:       In de zetel?

 

PAUL:            Jaja Melanie...  in de zetel...  meer plaats heb ik niet nodig.

 

MOEDER:       Jamaar,  wat gaat Agnes dan denken?

 

RITA:             Dat is met zijn abces hé Melanie.  Hij heeft daar ‘s nachts teveel last vast en daarom slaapt hij liever alleen.

 

PAUL:            Jaja,  liever alleen.

 

MOEDER:       Ja,  ‘t is misschien nog het beste.  Daarbij, zoveel bedden hebben we hier ook niet en ik kan Agnes toch moeilijk in de zetel leggen.

 

PAUL:            Neenee, steekt die Agnes maar in ‘t bed. Voor mij is dat hier geen enkel probleem.

 

ROBERT:        Voila, dat is dan geregeld. Laat die Tuddebies maar komen.

 

MOEDER:       Paul...  ge doet dus mee?

 

RITA:             Natuurlijk doet ons vake mee.

 

MOEDER:       Ge zijt een engel. (ze omhelst Paul eens goed)

                       En tegen morgen zal ik zorgen dat jouw beddeke gedekt is.

 

PAUL:            Awel Melanie...  wilt ge geloven dat mijne buik echt raar doet.

 

MOEDER:       Da’s van de honger.  Allé vooruit, we gaan naar de keuken dan eten we een boterham.

 

RITA:             Zijn ‘t geen bonen Melanie?

 

MOEDER:       Och kinneke,  ik heb ze daarstraks laten aanbranden en ik heb alles moeten wegkappen.  Maar als ge ‘t graag hebt,  dan zal ik er morgen nog eens maken.

 

ROBERT:        Aaah néééé hé ma...   toch weer geen bonen hé!  Als ge dat riskeert,  dan ga ik bij onze pa kamperen in ‘t bos!


TWEEDE BEDRIJF

 

 

ZELFDE DECOR ALS EERSTE BEDRIJF.  WE ZIJN NU EEN DAG LATER.

MOEDER IS BEZIG DE ZETEL OM TE TOVEREN TOT EEN BED.

 

MOEDER:       (gaat tot bij de deur rechts en roept) Robert!

                       Robert !!!

                      

ROBERT:        (vanuit slaapvertrekken) Ja ma!  Wat is er?

 

MOEDER:       Breng eens een kopkussen mee!

 

ROBERT:        (vanuit slaapvertrekken) Welk?

 

MOEDER:       Pak maar één uit de logeerkamer!

                       (moeder werkt verder aan de zetel)

 

ROBERT OP.

 

ROBERT:        (komt langs rechts de scene op met een kussen in de hand)

                       Voila se.  ‘t Is te hopen dat Paul er in het midden van de nacht niet uittottert.

 

MOEDER:       Wat zou die daar nu uitvallen. Daarbij, ‘s avonds schuif ik het salontafelke tegen de zetel en dan kan er niks gebeuren.

 

ROBERT:        Allé,  ge zijt precies al bezorgd om de Paul.

 

MOEDER:       ‘t Zal nodig zijn ook,  zie dat hij ‘t anders al na één nacht beu is.

 

ROBERT:        Och, onze pa heeft het hier toch ook jaren volgehouden.

 

MOEDER:       Ja, daar was ik mee getrouwd. Paul, dat is meer een soort interim.

 

ROBERT:        Zijt maar gerust, als Paul aan iets begint, dat houdt hij dat vol ook.

 

MOEDER:       Laat ons hopen, want anders wordt het hier een compleet fiasco.

 

ROBERT:        Volgens mij gaat dat hier in ieder geval een ferm klucht worden.

 

MOEDER:       Als ge dan maar goed beseft dat het mijn schuld niet is.

 

ROBERT:        Zeg ma,  iets anders nu. Rita, die mag straks toch bij mij slapen hé?

 

MOEDER:       Maar enfin Robert, waar ziet ge dat nu nog dat broer en zus bij mekaar in bed kruipen?

 

ROBERT:        Die kangoeroe moet dat toch niet te weten.

 

MOEDER:       Welke kangoeroe?

 

ROBERT:        Awel, die Tuddebiez.

 

MOEDER:       Die Tuddebies heet Agnes!

 

ROBERT:        Waar gaat ge Rita anders leggen?  Hier naast Paul in de zetel? Dan kunnen ze er met twee tegelijk uittotteren.

 

MOEDER:       Rita slaapt bij mij en daarmee uit.

 

ROBERT:        Awel ja, dàt zal die nu eens écht plezant vinden.

 

MOEDER:       Plezant of niet plezant. Denkt ge dat dàt voor mij hier allemaal een lolleke is?

 

ROBERT:        Ik vind toch dat we dat dàt Rita niet kunnen aandoen.

 

MOEDER:       Maar is dat nu zo erg?

 

ROBERT:        Luister hé ma,  naar ons moet ge niet kijken. Wij zullen onze plan wel trekken.

 

MOEDER:       ‘t Is al goed,  ik zal niet meer over discussiëren, want anders trapt gij ‘t misschien ook nog af.

 

ROBERT:        (legt zich neer op de zetel)

                       Ik vraag mij wel af wat voor een gezicht de Paul gaat trekken, als onze pa nu eens in ‘t midden van de nacht moest thuis komen?

 

MOEDER:       Uwe pa hé,  die komt hier gewoon niet binnen zolang Anges hier is. En daarna hé, zal hij nog schoon woordekes moeten geven.

 

ROBERT:        Allé ma? Als onze pa terug komt, dan is dat toch een teken dat hij spijt heeft.

 

MOEDER:       Spijt?  Laat me niet lachen. Honger en vaak ja, dat zal hij hebben. En dan hier nog een beetje ambras komen verkopen zeker... niks daarvan.

 

DE DEURBEL GAAT.

 

RITA:             (roept vanuit de hal) ‘t Zijn wij!!

 

MOEDER:       Allez,  zit recht.

 

RITA EN PAUL OP.

 

RITA EN PAUL KOMEN VIA DE HALDEUR DE SCENE OP.

PAUL HEEFT EEN HANDDOEK ROND ZIJN HOOFD.

ZE HEBBEN EEN KOFFER BIJ.

 

RITA:             Awel Melanie,  wat denkt ge van onze zieke?

 

PAUL:            Wilt ge geloven Melanie dat ik deze morgen echt tandpijn had.

 

MOEDER:       Toch niet erg?

 

ROBERT:        Da’s van de zenuwen. Als ik vroeger examens had, dan had ik altijd ‘t zuur aan mijn maag.

 

MOEDER:       Ja. En als ge met uwe uitslag thuiskwam had ge een zuur gezicht.

                       Kom eens kijken Paul,  hoe vindt ge ‘t beddeke?

 

PAUL:            (tot bij de zetel) ‘t Is toch niet waar hé.

 

MOEDER:       Volgens mij gaat gij hier slapen als een otter.

 

PAUL:            Awel Melanie, ik zal het eens direct testen se.

(Legt zich neer in de zetel)

 

RITA:             Hoe voelt het vake?

 

PAUL:            ‘t Ligt neig zacht en ‘t heeft precies een heel goei vering.

 

RITA:             Dat weet ik wel.

                       (Moeder en Paul kijken naar Rita).

 

ROBERT:        En ons ma schuift ‘s avonds de salontafel tegen de zetel,  dan kunt ge er niet uitvallen.

 

MOEDER:       Onze Robert was al bezorgd dat de zetel te klein zou zijn.

 

PAUL:            Zo groot ben ik nu ook niet hé.

 

RITA:             Och vake...  weet ge wat we vergeten zijn?

 

PAUL:            Vergeten?

 

RITA:             Uwe pyjama.

 

PAUL:            Maar allé Rita,  ‘t is toch niet waar hé.

 

RITA:             Serieus... die ligt thuis nog in de keuken.

 

ROBERT:        Dat is nu toch geen probleem.  Ge kunt gerust éne van onze pa hebben, die heeft de zijn voor het moment toch niet nodig.

 

PAUL:            Ene van Médart?  Zwaanst nu niet hé.

 

MOEDER:       (Tegen Robert) Zijt gij nu helemaal van lotje getikt? Stelt u nu eens voor dat de Paul hier zo ligt en dat onze pa in ‘t midden van de nacht thuis komt.

 

PAUL:            (Vol paniek) De Médart gaat ‘s nachts toch niet thuis komen? 

 

MOEDER:       Neenee, dat zal wel niet.

 

RITA:             Ik zal de pyjama van ons vake wel rap gaan halen.

                       (gaat richting haldeur) Ik ben direct terug.

                      

RITA AF.

 

PAUL:            Nu dacht ik daarjuist toch dat ik het aan mijn hart ging krijgen se. Médart die ‘s nachts thuis komt en mij hier zo ziet liggen.

 

ROBERT:        We kunnen altijd zeggen dat ge te zat waart om naar huis te gaan.

 

PAUL:            Merci hé. Ge zijt bedankt. De zatte Paul. Awel, ik krijg er op slag tandpijn van se.

 

MOEDER:       Drinkt eens een goeie druppel, dan is dàt direct over.

                       (Loopt naar kast om fles wisky)

 

PAUL:            Ja, een druppel. Da’s een heel goed gedacht.

 

ROBERT:        Nee, da’s geen goed gedacht. Hij heeft nu tandpijn, dàt maakt het juist echt.

 

PAUL:            Sadist.

 

MOEDER:       Nee nee. De Paul krijgt een druppel, tandpijn of niet.

                       (pakt glas en fles wiskey) Da’s bibbergeld.

 

PAUL:            Mercie Melanie. Gij verstaat dat tenminste.

                       (tot Robert) Daarbij, als ik een zatte moet spelen, is ‘t beter dat de fles binnen handbereik staat.

 

ROBERT:        Profiteur.

 

MOEDER:       (Zet glas op salontafel en schenkt in) Hier se Paul.

 

PAUL:            Mercie Melanie.  (Drinkt)

 

ROBERT:        Volgens mij was ‘t anders niet slecht als de Paul een pyjama van onze pa zou aantrekken...  dat maakt de zaak alleen maar echter.

 

PAUL:            Jamaar Melanie, als gij dat echt wilt...

 

MOEDER:       Och Paul,  luister daar toch niet naar.  Onze Robert wilt alleen maar de interessante uithangen.

                       Allé vooruit,  we zullen de koffers naar boven brengen,  want volgens mij gaat Agnes niet lang meer wegblijven.

 

ROBERT:        Waar gaat ge die nu zetten ma?

 

MOEDER:       Op jullie kamer zeker, dan kan Rita er altijd bij als ze iets nodig heeft.

 

PAUL:            Zeg Melanie, ‘t is maar een voorstel,  maar zouden we hier niet wat pillekes bij op tafel zetten, zogezegd voor mijn tandpijn hé.

 

ROBERT:        Da’s geen enkel probleem, ons ma heeft pillekes in alle soorten en kleuren.

 

MOEDER:       Jaja,  lach maar een beetje met een mens zijn gezondheid.

 

ROBERT:        Lap,  heb ik nu weeral iets verkeerd gezegd.

 

MOEDER:       ‘t Is al goed.  Zoek er dan maar enkele in de schuif en zet er ook een glas water bij.

                       Kom Paul,  wij trekken naar boven.

                       (neemt ook een koffer) Amaai wat een gewicht.

 

PAUL:            Forceert u niet hé Melanie, ik zal ze wel dragen.

 

MOEDER:       (Tot Robert) Allez vooruit,  zoekt gij maar wat pillekes.

 

MELANIE EN PAUL GAAN RECHTS DE SCENE AF.

 

MOEDER EN PAUL AF.

 

ROBERT ZOEKT PILLETJES IN DE KAST.

 

ROBERT:        Eens kijken...

                       ... ja, dat is iets goed voor de verdoving...

                       ... en nog wat van die geel hier,  die steken goed af...

                       ... en een tubeke zalf,  laat eens zien...  Oeioei,  dat is van onze pa zijn speen. Misschien is ‘t ook goed voor de tanden.

                       ... En dit... (fluit zachtjes) Viagra... Ja pake, dat wist ik niet...

                       ... Voila,  dat zal wel genoeg zijn.

 

ROBERT LEGT DE MEDIKAMENTEN OP EEN TAFELTJE NAAST DE ZETEL.

HIJ ZET ER OOK EEN GLAS WATER NAAST.

 

ROBERT:        Zo se pake,  dat is allemaal voor uw tandjes.

 

ER WORDT GEBELD.

 

ROBERT:        (kijkt op zijn horloge) Kwart voor twee...

                       Amaai,  dat kan goed die Tuddebies zijn.

                       (loopt tot bij de deur rechts) MA!   MAAAA!!!!!

 

MOEDER:       (vanuit slaapkamergedeelte) Wat is er?

 

ROBERT:        Maaa!!!

 

MOEDER:       Ik ben al daar se.

 

MOEDER EN PAUL OP.

 

MOEDER:       Awel,  wat is er?

 

ROBERT:        Die kangoeroe staat voor de deur.

 

MOEDER:       Die heet Agnes, en nu zeg ik het niet meer hé!

                       Allez vooruit,  doe dan toch open.

 

ROBERT:        Ja zeg,  doet gij dat maar. 

 

PAUL:            Melanie... wat moet ik nu doen?

 

MOEDER:       Ga maar op de zetel liggen en doet die handdoek rond uwe kop.

                       (Paul gaat op de zetel liggen)

                       Allé Robert, help Paul een beetje.

 

MOEDER GAAT NAAR DE HALDEUR.

 

MOEDER AF

 

PAUL:            Wat denkt ge?   Zit ‘t goed zo?

 

ROBERT:        ‘t Kan niet beter.  En nu pijn hebben. Ge moet kozen.

 

PAUL:            Amaai amaai....

 

AGNES:          (vanuit de hal) Ja zeg... dat is lang geleden... Maar ge zijt nog altijd even knap als vroeger.

 

MOEDER:       (vanuit de hal)

Dan hebt ge mijn rimpels nog niet goed gezien zeker.

 

ROBERT:        Stil, ze zijn daar.

 

MOEDER, AGNES, BETSY OP

 

ZE KOMEN VANUIT DE HAL DE HAL DE KAMER BINNEN.

BETSY IS HIP GEKLEED MET ZEER KORTE MINI ROK.

 

MOEDER:       Kijk eens pa wie dat er hier is.

 

PAUL:            (Kreunt)

 

AGNES:          Oei oei oei...  What is the problem?

 

MOEDER:       Een vreselijk abcess.

 

AGNES:          Een abcess? Oh my God.

 

MOEDER:       Hij zit er al een paar dagen mee te sukkelen en volgens de tandarts is er voorlopig niks aan te doen.

 

AGNES:          (geeft pa een hand)

                       Thats very serious hé Médart... Dat was toch the name hé?

 

PAUL:            Oei oei oei...

 

AGNES:          In Melbourne ken ik een hele goeie dentist, maar naar Australië vliegen om een tand te laten trekken is a little bit too expensive hé.

 

PAUL:            Oei oei oei...

 

AGNES:          En om te spreken is het ook difficult zeker?

 

MOEDER:       Ge gaat er niet veel uitkrijgen hoor. Hij moet zijne mond zoveel mogelijk toe houden... ge weet wel, anders komen er complicaties.

 

AGNES:          Dat hij dan maar oppast.

 

MOEDER:       En ‘t is daarom dat we hem hier geïnstalleerd hebben. Als hij dan ‘s nachts niet kan slapen, dan kan hij nog wat lezen of zo.

 

AGNES:          Ge moet het u niet aantrekken Médart... ik zal u wel soigneren en you will see, binnen een paar dagen gaat gij al veel beter zijn.

 

PAUL:            Oei oei oei...

 

AGNES:          En dat hier is my daughter Betsy. (Betsy is in de deur blijven staan) Come here dear.

 

ROBERT:        Welkom in Belgium dear Betsy.

 

BETSY:           Hello everyone. (zet zich neer bij Robert)

 

AGNES:          Ja, haar Nederlands is natuurlijk niet perfect hé, maar verstaan doet ze ‘t wel.  Eerst dacht ik nog om haar thuis te laten, maar ja, ‘t kind wilde ook eens kennis maken met Belgium.

 

ROBERT:        Volgens mij heeft ze groot gelijk.

 

MOEDER:       Dat is zeker. En onze Robert zal er wel voor zorgen dat ze zich hier niet verveelt.

 

AGNES:          Robert is a very good looking boy hé Betsy.

 

BETSY:           (Kijkt met felle blik naar Robert) Yes, and very strong (Ze raakt zijn bovenarm aan)

 

AGNES:          Hoe oud zijt gij nu al?

 

ROBERT:        Pas twintig geworden.

 

AGNES:          Twintig, dat is een schone leeftijd. Weet ge, toen ik zo oud was, heb ik Wayne leren kennen.

 

ROBERT:        John?

 

AGNES:          Nee nee,  mijne man.  Maar ‘t was ook een echte cowboy.

 

MOEDER:       Ik heb eigenlijk nooit geweten dat gij getrouwd waart.

 

AGNES:          Geweest hé Melanie... tot over acht jaar.

 

MOEDER:       En toen?

 

AGNES:          Toen had Wayne er genoeg van. Op een dag is hij ‘t afgetrapt.

 

MOEDER:       Dat moet dan ook een slag geweest zijn?

 

AGNES:          Ik wens het niemand toe kind,  maar ja, een mens moet vooruit in het leven hé. En Robert, vertel eens,  hebt gij al een meisje?

 

MOEDER:       Nee,  daar zit onze Robert niet mee.  Daarbij, hij is nog maar pas van school.

 

AGNES:          Hoort ge dat Betsy... dàt is zo gene flierefluiter als die maten van jou hé.

 

BETSY:           Mammy.

 

AGNES:          Ons Betsy, dat is een echte jongenszot. Volgens mij heeft ze volledig de aard naar Wayne.

 

BETSY:           Mammy

 

AGNES:          ‘t Is toch waar zeker. Overal hangen de boys rond haar rokken,  en ge moogt het gerust weten... ze heeft dat nog graag ook.

 

MOEDER:       Och,  zolang ze jong is moet ze er maar van profiteren.

 

AGNES:          Jamaar,  zijt gerust,  daar heeft ze een handje van weg. Robert, ik heb u gewaarschuwd hé.

 

BETSY:           Mam.

 

ROBERT:        Ge moet geen schrik hebben. Ik kan tegen een stoot hé ma.

 

DE BEL GAAT.

 

RITA:             (vanuit de hal)Ik ben het!

 

MOEDER:       Ha,  daar is ons Rita.

 

AGNES:          Rita?

 

RITA OP.

 

RITA:             Oh,  dag mevrouw.

 

AGNES:          Zeg maar gerust Agnes kind.

                       En dat hier is my daughter Betsy.

 

RITA:             Dag Betsy. (kijkt wat jaloers naar Robert)

 

BETSY:           Hello.

 

AGNES:          Awel Melanie,  ik wist niet dat gij nog a daughter had.

 

MOEDER:       Maar allé Agnes,  toch al negentien jaar.

 

AGNES:          Ik dacht echt dat gij twee zoons had.

 

MOEDER:       Ook.  Onze Jos hé... Die heeft in de universiteit voor dierenarts gestudeerd en daarna is hij beroepsmilitair geworden.

 

ROBERT:        Onze Jos zegt altijd dat kangoeroes intelligente beesten zijn. Is dat nu waar?

 

AGNES:          Of course... like all Australian people. (lacht geforceerd) Joking.

 

RITA:             Kom Robert wij zullen deze zak eens naar boven brengen.

 

MOEDER:       Ik zal hem wel meenemen kinneke,  dan kan ik aan Agnes en Betsy de logeerkamer eens laten zien,  want ik vermoed dat jullie je wel wat willen opfrissen.

 

AGNES:          Dat ga ik nu niet ontkennen se. Kom Betsy, neem de koffers.

 

ROBERT:        (Tot Betsy)  May I help?

 

BETSY:           (Knikt vriendelijk ja)

 

RITA:             Ze zullen dat wel alleen kunnen zeker.

 

AGNES:          Of course, ‘t zal wel gaan Robert.

                       (Tegen Médart) See you later Médart. En drink niet te veel wiskey, want anders krijgt ge nog koppijn ook.

 

MOEDER, AGNES, BETSY AF.

 

ROBERT:        Hebt ge dat gezien,  die Betsy heeft ferm benen hé.

 

RITA:             Zeg eens snoes,  daar moet gij niet naar kijken.

 

ROBERT:        Maar enfin,  daar kunt ge nu toch niet naast zien.

 

RITA:             Dan kijkt ge maar naar mij.

 

PAUL:            Robert,  hebt ge ‘t gehoord? 

 

ROBERT:        Wat?

 

PAUL:            Médart zei ze tegen mij.

 

ROBERT:        ‘t Loopt prima Paul.  Dat mens heeft niks in de mot.

 

PAUL:            Ze had precies nog compassie ook.

                       (stapt uit de zetel en wandelt richting deur om te luisteren)

 

RITA:             Wat komt die dochter feitelijk doen?

 

ROBERT:        Hoe weet ik dat nu?  Ik wist niet eens dat ze met twee gingen komen.

 

RITA:             Ge moet maar durven,  en dan nog een heel week.

 

ROBERT:        Ik vind dat eigenlijk niet zo erg. Ik zal me met die Betsy wel bezig houden.  Dat is goed om mijn Engels een beetje bij te werken.

 

RITA:             Wat is dat nu voor flauwe kul.  Gij moet gij uw Engels toch niet bijwerken.

 

ROBERT:        Allé, wat hoor ik daar, is mijn zusje een beetje jaloers?

 

RITA:             En met reden hé. Ze is nog maar pas binnen en ge hebt haar benen al zitten bestuderen.

 

ROBERT:        Wat wilt ge nu als ze erbij loopt met een rok tot hier.

                       (maakt een gebaar om te tonen hoe klein de rok is)

 

RITA:             ‘t Trekt op niks, met haar gat helemaal bloot.

 

ROBERT:        Dat was mij nu niet opgevallen se dat dàt ook al bloot was.

 

RITA:             ‘t Scheelde anders niet veel.

 

ROBERT:        Ik zal er straks eens goed op letten.

 

RITA:             Snoes,  zit mij nu niet te plagen hé.

 

ROBERT:        Ik plaag je toch niet.  Maar ik hoop dat gij nu niet een heel week dingen gaat veronderstellen of zien die er helemaal niet zijn. Daarbij,  dat mens komt uit Australië.

 

RITA:             Ja,  en dan?

 

PAUL:            Ssst, ik geloof dat ze daar zijn. (kruipt terug in zijn zetel)

 

ROBERT:        Binnen een week zijn ze al terug weg.

 

RITA:             Op een week kan er van alles gebeuren.

 

ROBERT:        Da’s waar, daar hebben we hier de laatste dagen al een serieus staaltje van ondervonden.

 

MOEDER, AGNES, BETSY OP.

 

AGNES:          Dat moet ge u toch niet aantrekken Melanie.  ‘t Is echt niet de eerste keer dat ons Betsy en ik bij mekaar slapen, hé kind.

 

BETSY:           No, it’s not a problem for me.

 

MOEDER:       Vooruit dan maar, dat is dan geregeld.

                       Kom,  laat ons aan tafel gaan zitten.

                       Robert,  neem in de keuken eens de thermospot en wat tassen,  want ik zal wel niet de enigste zijn die een koffie wil drinken.

 

ROBERT AF.

 

AGNES EN MOEDER NEMEN PLAATS AAN TAFEL.

 

AGNES:          Awel Melanie, dat gaat me smaken se, want de koffie in Australië thats nothing hé.  Die krijg ik met de beste wil ter wereld niet binnen.

 

MOEDER:       Dan zou ik het daar niet lang kunnen uithouden, want ik moet elke dag mijn rantsoen hebben.

                       Allé vooruit,  laat ons aan tafel gaan zitten.

 

RITA:             Zeg ma,  ik kan misschien met Betsy de stad eens gaan verkennen.

 

BETSY:           Oh yes,  that’s very nice.

 

AGNES:          Betsy, go upstairs and take some money.

 

MOEDER:       Da’s niet nodig. (Staat recht en pakt haar portemonnee)

 

ROBERT OP.

 

ROBERT HEEFT EEN PLATEAU BIJ ZICH MET DE TASSEN.

 

ROBERT:        Voila,  De dorstigen kunnen zich laven.

 

MOEDER:       (Tegen Robert) Zet ‘t maar neer.

                       (Geeft wat geld aan Rita) Hier se en drinkt onderweg maar iets.

 

ROBERT:        Wat gebeurt er?

 

MOEDER:       Ons Rita gaat met Betsy eens naar ‘t stad.

 

ROBERT:        Oké, da’s tof. Ik zal voor gids spelen.

 

MOEDER:       Zorg dat ge tegen een uur of vijf terug zijt, dan eten we.

 

ROBERT:        Om vijf uur al? Dan zullen we maar direct vertrekken, anders is ‘t de moeite niet.

 

AGNES:          Amuseer jullie maar.

 

ROBERT:        Ladies, follow the guide.

 

RITA:             Kom Betsy,  we zijn weg.

 

MOEDER:       En niet te laat thuis hé.

 

ZE VERLATEN DE WOONKAMER VIA DE HALDEUR.

 

RITA, BETSY, ROBERT AF.

 

AGNES:          Melanie,  gij hebt twee toffe kinderen,  daar moogt ge echt trots op zijn.

 

MOEDER:       ‘t Is waar,  ik mag eigenlijk niet klagen.

 

AGNES:          En Rita... heeft die nog gene vrijer?

 

MOEDER:       Ons Rita... Nee, dat is een doodbraaf meiske.

 

PAUL:            (Schenkt nog wat wiskey in)

 

AGNES:          Jamaar, dat wil niks zeggen hé. Ge kunt een doodbraaf meiske zijn en toch een vrijer hebben. Ons Betsy is ook heel braaf, maar die heeft er aan elke vinger wel tien. Dat Robert maar oppast of ze slaagt hem aan de haak.

 

MOEDER:       Daar zal Rita dan wel een stokske voorsteken.

 

PAUL:            (Verslikt zich tijdens het drinken)

 

AGNES:          What is er Médart?

 

PAUL:            ‘t Gaat wel.

 

AGNES:          Ik weet het, van tanden,  daar kunt ge toch van afzien hé.

 

MOEDER:       Ook veel last gehad?

 

AGNES:          Jaren geleden.  Dat is toen een echte plaag geweest. ‘t Was altijd iets, tot ik er ineens korte metten mee gemaakt heb.

 

MOEDER:       Ge hebt ze toch niet allemaal laten trekken?

 

AGNES:          Bijlange niet.  Ik ben van dentist veranderd.

 

PAUL:            (Onderneemt nieuwe poging om van zijn glas te drinken)

 

MOEDER:       Ja, Paul heeft er ook regelmatig last van.

 

PAUL:            (Verslikt zich weer)

 

AGNES:          Wie is Paul?

 

MOEDER:       Dat is euh een troetelnameke....  Dat zeg ik soms tegen Médart. Dat komt van polleke, omdat hij mij dikwijls een polleke geeft.

 

AGNES:          (Knikt, maar verstaat er niets van) ‘t Is zielig hé als ge hem zo ziet liggen.  Ik heb er echt compassie mee.

 

MOEDER:       Och, ‘t zal wel beteren zeker.

 

AGNES:          (neemt nog een slok koffie) Zeg Melanie, weet ge waar gij mij nu eens een plezier mee kunt doen. 

 

MOEDER:       Zeg maar...

 

AGNES:          Laat eens wat foto’s zien.

 

MOEDER:       Foto’s?

 

PAUL:            (Drinkt zijn wiskey leeg en vult onmiddellijk terug bij).

 

AGNES:          Ja, foto’s... van jullie trouw,  en van toen de kinderen klein waren...

 

MOEDER:       Ik zou niet weten waar ik die moet gaan zoeken. Daarbij, ik heb er al zoveel weggesmeten.

 

AGNES:          Allez Melanie,  toch geen foto’s van jullie trouw weggesmeten? (Tot Paul) Dat is ook geen compliment hé.

 

MOEDER:       Ik zal eens gaan kijken,  maar ik geloof niet dat er nog veel zullen zijn.

 

AGNES:          Dat geeft niet.

 

MOEDER GAAT RECHTS DE KAMER UIT.

 

MOEDER AF.

 

AGNES:          (Tegen Médart) Ik ben very curious om jullie trouwfoto’s te zien. Where zijn jullie op honeymoon-reis geweest?

 

PAUL:            (Maakt castagnette-gebaar en mompelt) Olé.

 

AGNES:          Naar Spanje?

 

PAUL:            (Knikt)

 

AGNES:          Spijtig dat jullie niet naar Australië gekomen zijn, dat hadden we al veel vroeger kennis kunnen maken.

 

PAUL:            (knikt pijnlijk)

 

AGES:            Doet het nog veel pijn?

 

PAUL:            (knikt nog pijnlijker)

 

AGNES:          What neemt ge d’er tegen in. Laat eens kijken.

                       (Ze neemt het doosje Viagra) Oh dear...

 

PAUL:            Wat?

 

AGNES:          (Zet het doosje vlug terug op tafel) Sorry... Nothing...

                       (Ze houdt haar handen voor haar ogen en geeft zich bepaalde houding)

 

PAUL:            (Neemt het doosje en bekijkt het ontsteld. Stopt het dan vliegensvlug in zijn zak.)

 

AGNES:          Ik heb niks gezien...    Where blijft Melanie toch?

 

ER WORDT GEBELD.

 

PAUL:            Oei oei oei.

 

AGNES:          Blijf maar zitten Médart,  ik zal wel even gaan kijken.

 

AGNES STAAT OP EN GAAT NAAR DE HAL.

 

AGNES AF.

 

PAUL SPRINGT UIT DE ZETEL EN GAAT TOT BIJ DE DEUR LANGSWAAR MELANIE WEGGEGAAN IS EN ROEPT:

 

PAUL:            Melanie!!!

 

MOEDER:       Wat is er?

 

PAUL:            Kom eens...  daar is iemand.

 

PAUL LOOPT TERUG NAAR ZIJN ZETEL.

 

AGNES EN BOL OP.

 

AGNES:          ‘t Is iemand van de politie.

 

PAUL:            ‘t Is niet waar hé.

 

MOEDER OP.

 

AGNES:          Ik heb mijnheer al maar binnen gelaten.

 

MOEDER:       Dat hebt gij heel goed gedaan Agnes.

                       Dag inspecteur,  zo vlug had ik u nu echt niet verwacht.

 

BOL:               Dat dacht ik wel. Met wie heb ik de eer? (Wijst naar Agnes)

 

MOEDER:       Dat is een vriendin inspecteur. Ze komt gewoon eens op bezoek.

 

AGNES:          Agnes Tuddebiese.  Ik woon al twintig jaar in Australië.

 

BOL:               Australië?  Jajaja,  de zaak begint dus stilaan een internationaal karakter te krijgen.

                       (Tegen Agnes) En dat is uw man veronderstel ik?

                       (Wijst naar Paul die in de zetel ligt)

 

AGNES:          Mijne man?  Nee hoor!  Mijne man die is er al acht jaar vandoor.

 

BOL:               Acht jaar?  Madammeke,  dan breekt u hier meteen alle records. (geeft Agnes een hand en zet zich neer aan tafel)

 

AGNES:          (zet zich ook neer) Alle records?  Wat wilt ge daarmee zeggen?

 

MOEDER:       Inspecteur,  ik heb goed nieuws.

 

BOL:               Gij maakt mij nieuwsgierig.

 

MOEDER:       Mag ik u voorstellen:  Médart, mijn echtgenoot.

 

BOL:               Uw echtgenoot?

 

MOEDER:       In hoogsteigen persoon.

 

BOL:               Madammeke,  ik ben helemaal van mijn melk.

 

AGNES:          Wilt ge misschien een taske koffie?

 

MOEDER SCHENKT EEN TAS IN

 

PAUL:            Inspecteur, ik geloof dat mijn vrouw weer wat te hard van stapel gelopen is.

 

BOL:               Dat is ‘t minste wat ge kunt zeggen.

 

MOEDER:       Inderdaad inspecteur,  ik geef toe dat ik u een woordje uitleg verschuldigd ben.

 

BOL:               Zo kan u het stellen ja.  Ik brand van nieuwsgierigheid.

 

MOEDER:       Wel inspecteur...

 

TERWIJL MOEDER MET DE UITLEG START STOOT ZE MOEDWILLIG DE TAS

KOFFIE OM OP DE INSPECTEUR.

 

MOEDER:       Oei,  wat doe ik nu...  Kom vlug mee naar de keuken,  want anders worden het plekken.

 

BOL:               Zo erg zal het wel niet zijn zeker.

 

MOEDER:       Kom maar mee,  met een beetje warm water, is dat direct weggewerkt.

 

MOEDER NEEMT DE INSPECTEUR MEE NAAR DE KEUKEN.

 

MOEDER, BOL AF.

 

AGNES:          Een inspecteur...  wat komt die eigenlijk doen?

 

PAUL:            Dat heeft iets te maken met een misverstand of zo.

 

AGNES:          En wat wil die daarmee zeggen dat ik alle records gebroken heb?

 

PAUL:            Zeg Agnes...  kijk eens...  zie ik nu niet bleek?

 

AGNES:          Dat kan ik zo niet zien hé Médart met die handdoek rond uw kop.  (gaat tot bij Paul) Voelt ge u niet goed?

 

PAUL:            Oei oei oei... Ik heb weer van die steken hé... Ik wordt er precies misselijk van.

 

AGNES:          (staat recht en wil naar de keuken gaan))

                       Ik zal Melanie roepen.

 

PAUL:            Melanie niet nee!  Maar frisse lucht,  dat heb ik nodig.

                       (wil rechtstaan uit zijn zetel)

 

AGNES:          Ik zal de deur wat open zetten.

 

PAUL:            Wacht... Help me even mee naar buiten, dan zal ‘t wel over gaan.

 

AGNES:          (ondersteunt Paul)

                       Voorzichtig Médart,  leg je arm maar rond mij.

 

PAUL:            Oei oei oei...  ik voel me echt niet goed se.

 

AGNES:          ‘t Zal wel over gaan Médart...  Allez kom,  voorzichtig.

 

PAUL EN AGNES GAAN BUITEN.

 

PAUL EN AGNES AF.

MOEDER EN BOL OP.

 

MOEDER EN DE INSPECTEUR KOMEN BINNEN VANUIT DE KEUKEN.

 

BOL:               Ik kan er niet aan doen madammeke,  maar ik vind ‘t al bij al een uiterst merkwaardige bedoening. (kijkt rond) En waar zijn ze nu?

 

MOEDER:       Hoe kan ik dat nu weten?  Daarnet was iedereen hier nog.

 

BOL:               Ze verdwijnen hier blijkbaar om de haverklap.

 

MOEDER:       Och inspecteur,  ‘t is allemaal goed afgelopen.

 

BOL:               Ik zit toch nog altijd met een heel klein probleempje.

 

MOEDER:       Nog een probleempje inspecteur... en wat is dat?

 

BOL:               Die foto die u mij gisteren gegeven hebt... (neemt foto)

 

MOEDER:       ...Och,  dat was ik al helemaal vergeten.  Geef die maar terug,  want daar kunt ge nu toch niks meer mee doen hé.

 

BOL:               Als ik U gisteren goed begrepen heb madammeke,  dan was dat toch een foto van Uw man?

 

MOEDER:       Maar natuurlijk inspecteur.

 

BOL:               Dus met andere woorden een foto van de man die hier daarnet nog verkleed zat als...  een kabouter.

 

MOEDER:       Euh...  ja inspecteur.

 

BOL:               Jajaja...  Dat is dan heel merkwaardig.

 

MOEDER:       Hoezo inspecteur?

 

BOL:               Madammeke met alle respect,  maar ofwel ben ik stekeblind,  ofwel is die kabouter van daarnet helemaal niet dezelfde als de man op deze foto.

 

MOEDER:       Maar inspecteur.... ik zal mijn eigen man toch wel kennen zeker.

 

BOL:               Nu ja,  waar maak ik mij druk om?  Er is geen klacht en u beweert uw man terug te hebben...  ik ga er mij dus niet verder moe aan maken.

 

MOEDER:       Dat hebt ge heel goed gezien inspecteur.

 

BOL:               Juist ja.  Allé,  dan ga ik maar weer.

 

MOEDER:       Inspecteur,  ik wil u toch bedanken voor uw medewerking.

 

BOL:               Ach,  geen dank. (gaat tot aan de hal)

                       Oh ja,  als u het niet erg vindt,  dan wil ik die foto voorlopig nog wat bijhouden.  Ge weet maar nooit dat uw man één van de volgende dagen weer eens spoorloos is.

 

MOEDER:       Dat zal toch wel niet zeker.

 

BOL:               Met kabouters weet ge nooit. Zo madammeke, ik vond het al bij al een zeer merkwaardige kennismaking.  En doe in ieder geval de groeten aan die vriendin uit Australië.

 

MOEDER:       Dat zal ik zeker niet vergeten inspecteur.

 

BOL:               En doe geen moeite, de buitendeur vind ik wel. (weg via hal)

 

BOL AF.

 

MOEDER:       Amaaai,  dat probleem is toch al opgelost.

 

MOEDER LEGT ZICH LANGUIT IN DE ZETEL EN TAST AAN HAAR HART.

VAN ZODRA ZE LIGT GAAT ZE MET EEN RUK TERUG RECHTOP ZITTEN.

 

MOEDER:       Da’s waar ook... de foto’s voor Agnes...

 

MOEDER SPRINGT UIT DE ZETEL EN RENT DE KAMER UIT. (RECHTS)

 

MOEDER AF.

PAUL EN AGNES OP.

 

AGNES:          You see Médart, met the fresh air is ‘t al veel beter

 

PAUL:            (kijkt rond) ‘t Is precies of er een pak van mijn hart is.

                       Allé, ik zal maar terug wat gaan liggen. (Wil naar zetel gaan)

 

AGNES:          Alleen in die zetel slapen, is toch niks voor een man als gij.

 

PAUL:            Denkt ge?

 

AGNES:          Bijlange niet. Volgens mij zijt gij een man waar leven in zit.

 

PAUL:            Leven, jaja...

 

AGNES:          Zo iemand, die al hij wilt,  elke vrouw kan laten bezwijken.

 

PAUL:            Zwaanst nu niet hé.

 

AGNES:          En zeker iemand die die blauw pillekes nog niet nodig heeft.

 

PAUL:            Welke blauw pillekes?

 

AGNES:          (Wijst naar binnenzak van Paul) Die viagrakes.

 

PAUL:            Oh, maar die zijn niet van mij hé.

 

AGNES:          Van wie dan wel?  Toch niet van Robert? Die is daarvoor toch too young.

 

PAUL:            Ja, too young.  Nee, ons Melanie was die bij de apotheker gaan halen voor ‘t geval.... euh...

 

AGNES:          That ge vanonder nen tijd in panne valt.

 

PAUL:            Just.

 

AGNES:          (knijpt Paul in zijn wangen). You naughty boy. Ge probeert me wat wijs te maken hé.

 

PAUL:            Oei oei oei... Ik krijg weer van die steken hé.

                       (Sukkelt naar de zetel, knoopt handdoek terug rond.

 

AGNES:          (Gaat bij hem in de zetel zitten. Ze neemt de tube zalf tegen het speen). Krijgt gij soms ook steken aan de poep?

 

PAUL:            (Knikt met pijnlijke grimas)

 

AGNES:          Daar is bij u niet veel dat nog goed werkt hé Médart.

 

MOEDER OP.

 

MOEDER:       Ik had het wel gedacht,  nergens foto’s te vinden.

 

AGNES:          Melanie,  dat kan nu toch niet.

 

MOEDER:       Ik zal ‘t straks wel eens aan de mannen vragen.

 

AGNES:          Och kom,  zo erg is ‘t nu ook niet.  Daarbij,  we zijn nog niet naar huis hé.

 

MOEDER:       Da’s zeker.

 

AGNES:          Alles in orde gekomen met die koffieplekken?

 

MOEDER:       Dat was ook een farce hé.  Maar allez, met wat water heb ik het eruit gekregen.

 

AGNES:          Die inspecteur kon er wel niet mee lachen zeker.

 

MOEDER:       Ja zeg,  zoiets doet ge niet moedwillig hé.

 

AGNES:          En ‘t misverstand... dàt is ook opgelost geraakt?

 

MOEDER:       Jaja...  op de duur begreep hij alles.

 

AGNES:          Allé,  zoveel te beter. 

Spijtig dat ik hem niet kunnen vragen heb wat hij met dat record bedoelde.

 

MOEDER:       Trekt het u niet aan.  Daarbij,  ‘t is hoog tijd om aan ‘t eten te beginnen.

 

AGNES:          Dan zal ik eens wel wat helpen, misschien leer ik zo nog iets.

 

MOEDER:       Wat eten jullie graag?

 

AGNES:          Wij eten wat de pot kookt,  zo simpel is dat.

 

MOEDER:       Ik heb in de kelder nog een grote karaf met snijbonen staan,  wat denkt ge daarvan?

 

AGNES:          Vooruit,  we zullen er eens invliegen...  dan kan Médart nog een beetje rusten...  hé Médart.

 

PAUL:            Jaja,  nog een beetje rusten.

 

MOEDER EN AGNES GAAN RICHTING KEUKEN.

 

MOEDER EN AGNES AF.

 

PAUL:            Ja zeg,  wat is dat hier allemaal. (staat recht uit zetel)

                       ‘t Zou me niet verwonderen als hier nog ‘t één en ander uit de hand gaat lopen.

 

DE DEURBEL GAAT.

 

PAUL:            Oei oei oei,  wat nu weer. (haast zich terug naar de zetel)

 

RITA OP.

 

RITA KOMT VIA DE HAL BOOS BINNEN.

 

PAUL:            Zijn jullie al terug?

 

RITA:             Nee,  ik ben alleen.

 

PAUL:            Alleen?   En waar zijn Robert en Betsy dan?

 

RITA:             Hij kan van mijn part ontploffen.

 

PAUL:            Maar allé Rita,  wat hoor ik allemaal...  ontploffen?

                       Wat is er nu weer?

 

RITA:             Niks.

 

PAUL:            Hoe niks?  Dan zegt ge zoiets toch niet.

 

RITA:             Ik heb ogen in mijne kop hé va.  Hij moet niet denken dat hij me blaaskes kan wijsmaken.

 

PAUL:            Wie?

 

RITA:             Robert natuurlijk.

 

PAUL:            Maar wat is er dan geweest?

 

RITA:             Sinds hij die Australische trut gezien heeft,  is het precies of ik niet meer besta.

 

PAUL:            Nu zijt ge toch een beetje aan ‘t overdrijven zeker.

 

RITA:             Overdrijven?  Betsy van hier en Betsy van daar.  En ik kan achterna huppelen als een poppemie.

 

PAUL:            Maar dat is toch normaal dat Robert ‘t één en ander tegen dat meiske zegt.

 

RITA:             Normaal ja?  En allemaal in ‘t Engels!  En hij weet goed genoeg dat ik daar geen woord van versta.

 

PAUL:            Hij zal dat doen om het die Betsy wat gemakkelijker te maken.

 

RITA:             Om wat te konklefoezen achter mijne rug ja.

 

PAUL:            Maar allez Rita,  zwaanst nu niet hé,  zoiets moogt ge toch niet denken.  En waar zijn ze nu?

 

RITA:             Bij den Billies.

 

PAUL:            Wat is dat nu weer?

 

RITA:             Een stom café in ‘t centrum.

 

PAUL:            En gij zijt het zomaar afgetrapt?

 

RITA:             Ik heb gezegd dat ik maagpijn had.

 

PAUL:            Maar Rita toch,  dat kunt ge toch niet doen.

 

RITA:             En waarom niet?  Hij heeft nu toch een huppeltrut die met haar gat bloot loopt.

 

AGNES OP.

 

AGNES KOMT VANUIT DE KEUKEN OP OM DE TAFEL AF TE RUIMEN.

 

AGNES:          Ha,  zijn jullie al terug?

 

RITA:             (Kortaf) Nee,  ik ben alleen.

 

AGNES:          En waar is Betsy?

 

RITA:             In ‘t café.

 

AGNES:          Ons Betsy met Robert... had ik het niet gedacht.  ‘t Zou me niet verwonderen als ze straks verliefd is op jouw broer.

                       Maar allé Médart,  wij zijn ook jong geweest hé.

 

PAUL:            Ons Rita had wat buikpijn.

 

RITA:             Maagpijn!

 

PAUL:            Awel ja,  aan haar maag.

 

AGNES:          Maagpijn,  daar heb ik iets goed voor.  Wacht, ik zal het boven eens rap gaan halen,  dan zijt ge er direct van af.

 

AGNES GAAT RECHTS AF.

 

AGNES AF.

 

RITA:             Dat ze haar stomme pillekes houdt hé.

 

PAUL:            Maar ze haalt die toch maar om goed te doen.

 

RITA:             Als ze goed wil doen hé,  dat ze dan maar vertrekt met haar Betsy.

 

PAUL:            Ge weet ‘t hé  kind,  ze blijven een heel week.

 

RITA:             Maar die gaan toch niet denken zeker dat ze mij een heel week voor ‘t zotteke kunnen houden hé.

 

PAUL:            Awel dat is gesproken se.

 

RITA:             En anders,  dan kan hij volgende maand met die jongenszot trouwen in plaats van met mij.

 

PAUL:            Maar allé Rita...  Zwaanst nu niet hé,  alles is al besteld.

 

RITA:             Dat kan mij niet schelen.

 

PAUL:            Weet ge wat...  ik zal straks wel eens met Robert klappen.  Hij zal ‘t dan wel verstaan.

 

RITA:             Explikeert het dan maar in het Engels,  want Vlaams kent hij voor ‘t moment niet meer.

 

PAUL:            Ge zult zien,  ‘t zal wel rap geregeld zijn.

 

RITA:             ‘t Is te hopen. (Gaat naar hal)

 

PAUL:            Jamaar Rita,  naar waar gaat ge nu?

 

RITA:             Ik ga efkes naar huis iets halen.

 

PAUL:            Wat zijt ge nu weer vergeten.

 

RITA:             Niks ergs va,  ge zult wel zien. (gaat in hal)

 

PAUL:            Denk eraan dat ze om vijf uur eten.

 

RITA:             Ik zal wel op tijd terug zijn.

 

RITA AF.

AGNES OP.

 

AGNES KOMT RECHTS DE WOONKAMER BINNEN.

ZE HEEFT EEN DOOSJE MET PILLETJES IN DE HAND.

 

AGNES:          Gaviscon,  goed voor alle maagklachten.

                       Wel,  waar is ze nu?

 

PAUL:            Ze is naar buiten wat gaan wandelen.  Ik denk dat ze ook wat frisse lucht nodig heeft.

 

AGNES:          Ik heb ‘t toch gezegd Médart,  fresh air, dat is goed voor alles. (zet doosje op kast)

                       Ik zal het doosje hier zetten en als ze dan straks nog last heeft, moet ze er maar eentje innemen.

                       (gaat naar de tafel en zet tassen op plateau)

                       En met u is ‘t precies ook al beter.

 

PAUL:            ‘t Gaat wel.

 

AGNES:          Melanie zal content zijn als ge genezen zijt.  Dan kunt ge terug bij haar gaan slapen.

 

PAUL:            Jaja,  maar helemaal gedaan is ‘t nog niet hé.

 

AGNES:          Naughty boy...  gij vindt dat eens plezant zeker om alleen te kunnen slapen?

 

PAUL:            Nee,  dat is ‘t niet.

 

AGNES:          (stapt met plateau tot bij de zetel)

                       Ge moet u voor mij niet generen hoor.  Ik heb feeling voor zo’n dingen.  Ik heb dat vroeger met Wayne toch ook meegemaakt. Vertel eens,  hebben jullie woordekes gehad.

 

PAUL:            Woordekes,  nee.

 

AGNES:          Ik ben in die richting aan ‘t denken geweest.

                       Gij die alleen slaapt,  en een inspecteur die misverstanden komt oplossen...  ‘Troubles in het huishouden’ noemen ze dat bij ons in Australië.

 

PAUL:            Jamaar nee... zo erg is het niet.

 

AGNES:          Och, ‘t geeft niet.  Zolang gij hier graag ligt doet ge dat maar gerust.  Ik doe wel alsof ik van nikske weet. Maar mondje toe hé.

                       En als we gaan eten, dan kom ge maar naast mij zitten en als er iets is,  dan zal ik u wel helpen.  Afgesproken?

 

PAUL :           Jaja.

 

AGNES:          Allé,  dat zal ik eens naar de keuken brengen.

                       (draagt plateau naar de keuken)

 

AGNES AF.

 

PAUL:            Paul jong,  gij moet stilaan uit uw doppen gaan kijken met die Agnes,  want dat is precies toch geen katje om zonder handschoenen aan te pakken...

                       ‘t Is eigenlijk wel straf hé.  Ik woon al tien jaar alleen,  en nu ineens zit ik met twee vrouwen achter mijn hielen.

                       Maar allez,  voor ‘t moment mag ik niet vergeten dat ik met Melanie getrouwd ben.  Alhoewel,  met die Agnes,  dat zou precies ook niet misstaan.

 

DE BEL GAAT.

 

PAUL:            Wat nu weer?

 

ROBERT EN BETSY OP.

 

ROBERT:        Voila,  wij zijn al terug.

 

PAUL:            ‘t Is nog iets te vroeg voor ‘t eten denk ik.

 

BETSY:           Where is mammie?

 

PAUL:            In de keuken bij Melanie.

 

BETSY:           Rooby,  I’m going to the kitchen.

 

ROBERT:        Doe maar,  ik rust wel efkes.

 

BETSY:           Bye Rooby. (gaat naar de keuken)

 

BETSY AF.

 

ROBERT:        Is Rita daar ook?

 

PAUL:            Ik geloof dat die een snelcursus Engels gaan volgen is.

 

ROBERT:        Engels?

 

PAUL:            Ze was wat lastig omdat ze van jullie gepraat niet veel begreep.

ROBERT:        Tegen ons zei ze dat ze buikpijn had.

 

PAUL:            Maagpijn.

 

ROBERT:        Awel ja,  aan haar maag.

 

PAUL:            Ik denk dat ze dat zomaar gezegd heeft.  Volgens mij kan ze er niet goed tegen als ge te vriendelijk tegen die Betsy zijt.

 

ROBERT:        Juist andersom zeker...  Betsy te vriendelijk tegen mij.  Ik denk dat dat mens constant op jacht is.

 

PAUL:            Maar allé Robert,  wat hoor ik nu?  Dan heeft die de aard naar haar moeder.

 

ROBERT:        Naar die Tuddebies?

 

PAUL:            Dat is ook geen simpel.  Ik heb zo precies het voorgevoel dat die in mij iets gezien heeft.

 

ROBERT:        Serieus???  En wat zegt ons ma daarvan?

 

PAUL:            Die weet van niks.  ‘t Is altijd als Melanie er niet bij is dat ze komt babbelen.

 

ROBERT:        Past dan maar op.

 

PAUL:            Ze denkt zelfs dat ik ambras heb met Melanie...

 

ROBERT:        Ambras?

 

PAUL:            ... en dat het daarom is dat ik in de zetel blijf slapen.

 

ROBERT:        En wat hebt ge daarop gezegd?

 

PAUL:            Ja,  wat kan ik daarop zeggen?

 

ROBERT:        Zorg er maar voor dat ons ma niks te weten komt,  want anders krijgt ze ‘t weer aan haar hart.

 

PAUL:            Zeg Robert...

                       (gaat naar de keukendeur om stiekem te luisteren of er iemand komt)

 

ROBERT:        Ja,  wat is er?

 

PAUL:            Ziet gij dat zitten?

 

ROBERT:        Wat zien zitten?

 

PAUL:            (luistert weer even aan de keukendeur) Die Agnes en mij.

 

ROBERT:        Amaai Paul,  loopt gij niet wat rap van stapel?

 

PAUL:            Jamaar nee,  zover is ‘t nog niet hé.

 

ROBERT:        ‘t Is te hopen.  Ge zijt toch nog niet vergeten dat ge voor het moment onze pa zijt hé.

 

PAUL:            Jaja, dat weet ik wel.  Maar ik bedoel...  als de Médart terug is.

 

ROBERT:        Daartegen zit die Tuddebies al lang terug bij haar kangoeroes.

 

PAUL:            ‘t Pakt mij toch elke keer als ze zoiets zegt.

 

ROBERT:        Volgens mij hadden we beter gezegd dat gij met de dikoor zat,  dan had ons ma wattekes in uw oren kunnen steken.

 

PAUL WIL WEER LUISTEREN AAN DE KEUKENDEUR. OP DAT MOMENT KOMT

AGNES BINNEN.

 

AGNES EN BETSY OP.

 

AGNES EN BETSY KOMEN UIT DE KEUKEN DE WOONKAMER BINNEN MET

BORDEN EN EETGERIEF.

 

AGNES:          Ah Médart,  ge zijt al uit uw bed.

     Kom Robert, we gaan eten.

                       ...

                       Is Rita nog niet terug?

 

PAUL:            Die zal niet lang meer wegblijven.

 

AGNES:          Médart,  komt gij hier maar zitten.

 

BETSY:           Rooby...

 

AGNES:          Jaja,  Robert zal wel naast jou komen zitten.  Ge ziet het hé Robert,  ons Betsy kan al niet meer zonder jou.

 

BETSY:           Mam!

 

ROBERT:        Ik zit gewoonlijk hier,  dat is mijn vaste plaats.

 

MOEDER OP.

 

MOEDER KOMT UIT DE KEUKEN MET EEN GROTE POT.

 

MOEDER:       Hier ben ik ermee.

 

ROBERT:        ‘t Werd tijd,  want ik rammel van de honger.

                       Wat eten we ma?

 

MOEDER:       Agnes had eens goesting voor snijbonen.

ROBERT:        Zeg dat ‘t  niet waar is hé...  toch weer geen snijbonen!

 

MOEDER:       Vandaag bonen en morgen eten we weer iets anders.

 

ROBERT:        Dat zegt gij al een heel week.  Ik kan geen bonen meer zien.

 

DE BEL GAAT.

 

RITA OP.

RITA KOM VANUIT DE HAL OP. ZE IS ZEER GEWAAGD GEKLEED EN HEEFT

EN ERG KORTE MINI ROK AAN.

 

RITA:             Hallo everyone!

 

PAUL:            Maar allé,  wat zie ik nu?  Rita!?!

 

ROBERT:        Vanwaar komt gij?

 

RITA:             Ik ben mij aan ‘t verdiepen geweest in de Australische gewoonten.

 

PAUL:            En wat hebt gij nu aan?

 

RITA:             Dat is: ‘ROK A LA GAT’,  iets wat onze Robert graag ziet.

 

BETSY:           Yes,  it’s very nice...

 

RITA:             Ah zo gij vindt ‘t nice?  Awel, het gaat nog veel nicer worden,  want nu ga ik boven met mijn broerke eens een privégesprekske houden.

 

ROBERT:        Met mij?

 

RITA:             Ja,  en in ‘t Vlaams.

 

MOEDER:       Maar Rita,  nu toch niet,  ‘t eten is klaar.

 

RITA:             Ik heb voor ‘t moment absoluut geen honger.

 

AGNES:          Dat is met haar maag hé.  Moet gij een pilleke hebben kind.

 

RITA:             Niks te pilleke. Vooruit Robert,  mee naar boven.

 

MOEDER:       Maar al dat eten gaat koud worden.

 

ROBERT:        Niet aantrekken ma,  ik mag toch geen bonen.

DERDE BEDRIJF

 

 

ZELFDE DECOR ALS EERSTE BEDRIJF.  WE ZIJN WEER EEN DAG LATER.

HET IS NACHT.  PAUL LIGT IN DE ZETEL TE SLAPEN.

PLOTS VERSCHIJNT VAN ACHTER DE ZETEL EEN SPOOKGEDAANTE.

WE HOREN DE STEMMEN VAN PAUL EN MEDART MET ECHO.

 

MEDART:       Paul!  Wat ligt gij hier in mijne zetel te doen?

 

PAUL:             Médart?  Zijt gij dat?

 

MEDART:       Ja Paul, in ben ‘t.  Wat ligt gij hier te doen?

 

PAUL:             Ikke?   Nikske.

 

MEDART:       Niks?  En ik moet dàt geloven?

 

PAUL:             Ik was te zat om naar huis te gaan.

 

MEDART:       Te zat?

 

PAUL:             Ja, ziet maar, de fles wiskey staat hier nog op ‘t tafelke.

 

MEDART:       Ah zo... Hadde gij iets te vieren misschien?

 

PAUL:             Nee. Wat zou ik nu te vieren hebben?

 

MEDART:       Misschien het feit dat ik nooit meer naar huis kom?

 

PAUL:             Gij nooit meer naar huis komen? Zwaanst nu niet hé.

 

MEDART:       Dat gij de kans pakt om mijn plaats hier in te nemen?

 

PAUL:             Medart... zoiets, dat zou ik nooit van mijn leven niet doen.

 

MEDART:       Paul, gij zijt ne ‘koekoek’.

 

PAUL:             Ne koekoek?  Ikke?

 

MEDART:       Ja gij.  Gij komt uw eieren leggen in andermans nest.

 

PAUL:             Jamaar Médart... ik heb geen eieren.

 

MEDART:       Ah nee?  ‘t Is daarom dat ge van die blauw pillekes moet innemen zeker?

 

PAUL:             Ikke blauw pillekes?  Maar die zijn van u.

 

MEDART:       Watte?  Gij komt mij hier beledigen in mijn eigen huis.

 

PAUL:             Luistert Médart, Ik ben direct weg se.

 

MEDART:       Ge moet niet gaan lopen lafaard. Kom hier dat ik uw keel dichtnijp.

 

PAUL:             Nee Médart, doe dat niet. Médart, doet dat niet!!!

                       Help... Help... HELP!!!

                       (Paul valt uit de zetel)

 

VOLLE LICHT.

PAUL LIGT OP DE GROND.

DE DEUR VAN DE HAL WORDT GEOPEND. RITA EN ROBERT KOMEN OP.

 

RITA EN ROBERT OP.

 

RITA:             (Loopt tot bij Paul)  Vake! Vake...  Wat is er?

 

PAUL:            (Kijkt verdwaasd)

 

ROBERT:        Dat ziet ge toch,  hij is uit de zetel getotterd.

 

PAUL:            Och kind, ik ben content dat ik u zie.

 

RITA:             Ik had nog gezegd dat ge dat tafeltje ertegen moest schuiven.

 

PAUL:            Ik heb een verschrikkelijke nachtmerrie gehad. De Médart was thuisgekomen en die greep mij bij mijn keel.

 

RITA:             ‘t Is nikske. Dat hebt gij maar gedroomd vake.

 

PAUL:            Als dàt maar geen slecht voorteken is.

 

RITA:             Maar nee...  Allez, zoude gij eens niet stilletjes aan beginnen met uw broek aan te trekken...  straks is iedereen beneden.

 

PAUL:            ‘t Zal wel moeten zeker.

                       (neemt zijn klederen die op een stoel hangen)

                       Allez vooruit,  ik zal dan maar naar de keuken gaan voor de grote maneuvers. (gaat naar de keuken)

 

PAUL AF.

 

RITA BRENGT DE ZETEL IN ORDE.

 

ROBERT:        Onze pa die hem aan ‘t wurgen is....  Met wat zit die toch allemaal in zijn kop?

 

MOEDER OP.

 

MOEDER KOMT RECHTS DE WOONKAMER BINNEN. ZE HEEFT KRULSPELDEN

IN HAAR HAAR.

 

MOEDER:       Ahha,  jullie zijn ook al wakker.

 

RITA:             Zoals ge ziet hé Melanie,  wij waren eerst.

 

MOEDER:       En waar is Paul?

 

ROBERT:        Die is in de keuken zijn blauw plekken aan het tellen.

 

MOEDER:       Hij is toch niet uit  de zetel gevallen?

 

RITA:             Met zijn volle gewicht.

 

MOEDER:       Hij heeft zich toch niet zeer gedaan?

 

RITA:             Maar nee...

 

MOEDER:       En hoe zit ‘t?  Is het tussen jullie al terug wat bijgelegd?

 

ROBERT:        Begint er nu niet opnieuw over hé ma.  Het is gisterenavond al erg genoeg geweest.

 

MOEDER:       Het scheelde anders geen haar of alles was uitgekomen.

 

RITA:             ‘t Was allemaal de schuld van die Betsy.  ‘t Is te hopen dat ze vandaag wat normaal doet.

 

MOEDER:       Ik had eigenlijk nooit mogen zeggen dat jullie broer en zus zijn.

 

ROBERT:        ‘t Is nu zo hé ma,  dàt nu kunnen we ook niet meer veranderen.

 

MOEDER:       En dan zeg ik nog dat gij nog geen verkering hebt.

 

ROBERT:        En die Betsy, dat is één die niet zonder jongens kan.  Dat is normaal hé dat die rond mijne kop hangt.  Dat is haar natuur.

 

RITA:             Awel snoes,  dan verandert gij ook maar van natuur.  Dan doet ge maar alsof dat gij niet voor de meiskes zijt.

 

ROBERT:        Ik niet voor de meiskes?

 

RITA:             Dat is nu toch niet moeilijk hé.

 

ROBERT:        Allé,  dan moet ik vanaf vandaag met een piepstemmeke klappen en met een sjakoske rondlopen zeker.

 

RITA:             Dat zou al een heel goed begin zijn.

 

PAUL OP.

 

PAUL KOMT VIA DE KEUKENDEUR OP. HIJ HEEFT ZIJN KLEDEREN AAN.

 

MOEDER:       Och Paul, ge hebt u toch niet zeer gedaan?

 

PAUL:            ‘t was precies of dat ik versmachte.

 

MOEDER:       Versmachte?

 

PAUL:            Ja,  precies dat ik geen lucht niet meer kreeg.

 

MOEDER:       Dan zijt gij serieus gevallen.

 

ROBERT:        Nee ma. De Paul heeft gedroomd dat onze pa zijn keel toeneep.

 

MOEDER:       Onze pa?

 

ER WORDT GEBELD.

 

MOEDER:       Wie kan dat nu zijn,  zo vroeg?

 

PAUL:            Zie dat ‘t de Médart is.

 

ROBERT:        Ik zal wel gaan zien.

 

ROBERT GAAT NAAR DE HALL

 

ROBERT AF.

 

MOEDER:       Oeioei,  mijn krulspelden zitten nog in mijn haar.

 

MOEDER LOOPT AF LANGS DE KEUKENDEUR (LINKS)

 

MOEDER AF.

 

PAUL:            (Tegen Rita) Luistert eens of dat het de Médart niet is.

 

RITA:             En wat dan. Wij mogen hier toch komen zeker.

 

ROBERT EN BOL OP.

 

ROBERT, GEVOLGD DOOR BOL KOMEN VIA DE HAL BINNEN.

 

ROBERT:        Mag ik jullie voorstellen:  inspecteur Bol.

 

MOEDER OP.

 

MOEDER KOMT OP VANUIT DE KEUKEN.  KRULSPELDEN ZIJN UIT HAAR HAAR.

 

MOEDER:       Amaai inspecteur,  gij zijt ook al vroeg op ronde.

 

BOL:               Och ik passeerde en ik dacht zo bij mijn eigen,  ik zal maar eens gaan kijken of iedereen er nog is.

 

MOEDER:       Dan kan ik U al direct geruststellen,  het gezin is compleet.

 

BOL:               Ik zie het,  en met uw man is het blijkbaar ook al een stuk beter. Hij heeft zich tenminste niet meer verkleed als een kabouter.

 

PAUL:            Eens een nachtje goed slapen,  dat kan wonderen doen hé inspecteur.

 

BOL:               Jaja, zeg dat wel.

                       Apropos, voor ik vertrek moet ik eerst toch nog een straf verhaal vertellen, want gisterenavond hebben mijn collega’s en ikzelf iets ongelooflijk meegemaakt.

                       We werden opgebeld door een cafébaas die opgezadeld zat met een klant die van geen kanten buiten te krijgen was.

 

MOEDER:       Ge hebt soms lastige mensen hé inspecteur.

 

BOL:               We hebben die man uiteindelijk meegenomen naar de bureau en dan begint de miserie:  papierke van hier,  verklaringske van daar,  Enfin, u kent dat wel.

 

ROBERT:        Jaja,  dat is jullie specialiteit.

 

BOL:               Nu het strafste van de zaak was, dat die man zelfs een valse pas bij zich had.

 

MOEDER:       Ge moet maar durven hé.

 

BOL:               Madammeke,  Ge kunt nooit raden welk adres op die zijn pas stond.

 

MOEDER:       Hoe kan ik dat nu weten?

 

BOL:               Dat van hier:  Predikherenstraat nummer 5.

 

MOEDER:       (blaast)

 

BOL:               Ik zeg tegen die man:  mij gaat ge geen blaaskes wijsmaken hé ventje,  want toevallig ben ik deze middag nog in de Predik­herenstraat nummer 5 geweest en ik heb daar persoonlijk met mijnheer en mevrouw Fierens gesproken.

 

MOEDER:       En toen?

 

BOL:               Die was om te ontploffen.  Die ging te keer als een briesende leeuw.  Dus:  bakske open,  ventje erin en bakske terug toe.

 

MOEDER:       Amaaaiii.

 

BOL:               Nu moet ik wel toegeven,  die man had alles tot in de puntjes voorbereid.

 

MOEDER:       Hoe bedoelt ge inspecteur?

 

BOL:               Volgens mij had hij zelf plastische chirurgie laten doen.

 

MOEDER:       Plastike chirurgie?

 

BOL:               Madammeke,  die gast trok als twee druppels water op de foto die U mij gegeven hebt.  Enfin, hij trekt er zelfs nog beter op als Uwe eigen man.

 

ROBERT:        Inspecteur,  ge hebt ‘t door zeker?

 

BOL:               Jonge man,  ik durf zelf zeggen dat ik ondertussen alle klepelkes weet hangen.

 

MOEDER:       Ik zal eerlijk zijn inspecteur.  Dit hier is Paul.  Hij speelt al een paar dagen voor Médart.

 

RITA:             Ja,  omdat we een vervangingspapa nodig hadden.

 

MOEDER:       Ik kon tegen mijn vriendin uit Australië toch niet gaan zeggen dat mijne man eruit getrokken was.

 

BOL:               En dan hebt u zomaar de eerste de beste remplacant genomen.

 

MOEDER:       Niet de eerste de beste...  Ik ken Paul al langer.  Hij is de vader van Rita.

 

BOL:               Madammeke toch.  En is uw echte man daarvan op de hoogte?

 

MOEDER:       Van wat?

 

BOL:               Dat uw dochter een andere vader heeft?

 

MOEDER:       Maar Rita is mijn dochter niet.

 

BOL:               Het wordt weer vreselijk ingewikkeld.

 

PAUL:            Excuseer inspecteur,  Rita is de dochter van mijn vrouw.

 

BOL:               En waar is uw vrouw dan?

 

PAUL:            Dat weet ik niet.  Die is er al meer dan tien jaar vandoor.

 

BOL:               Gefeliciteerd,  dan bent u meteen de nieuwe recordhouder.

                       (geeft Paul een hand)

                       En waar is die Australische vriendin nu?

 

MOEDER:       Ze slaapt nog.

 

BOL:               Ik hoop voor u dat ze nog een tijd in haar bed blijft liggen,  want volgens mij gaat er hier nog ‘t één en ander geëx­pliceerd moeten worden.

 

MOEDER:       Hoe bedoelt ge?

 

BOL:               Madammeke,  Uwe man zit voor het moment hier buiten in de combi.  Hij heeft zijn roes uitgeslapen en van mijn part mag hij terug naar huis.

 

MOEDER:       Jamaar inspecteur,  dan komt nu echt slecht aan se.  Zou dat niet gaan om hem nog een paar dagen bij te houden?

 

BOL:               Nu weet ik wel dat de politie voor alles en nog wat dient,  maar babysitten,  daar houden wij ons tot nader order nog niet mee bezig hé.

                       (gaat richting hal)

                       Enfin,  ik zal hem maar naar binnen sturen...  en euh... als hij ziet wat hier allemaal gaande is,  loopt hij misschien vanzelf terug weg.

 

BOL AF.

 

MOEDER:       (Pakt naar haar hart) Dat overleef ik niet.  Ik overleef het niet.

 

PAUL:            Zeg Melanie,  wij zullen dan maar naar huis gaan zeker?

 

MOEDER:       Ah nee Paul,  dat gaat toch niet.  In de ogen van Agnes zijt gij toch Médart.

 

AGNES OP.

 

AGNES KOMT VIA DEUR RECHTS DE WOONKAMER BINNEN.

 

AGNES:          Goeie morgen allemaal.

 

MOEDER:       Agnes!!!

 

AGNES:          Ja Melanie,  wat is er???

 

MOEDER VALT VAN HAAR SUS OP DE GROND.

 

AGNES:          Allé, wat krijgt die nu?

 

PAUL:            Vlug Agnes,  ermee naar buiten. Melanie heeft lucht nodig.

 

ROBERT:        Daar,  langs de veranda,  dan kan ze in de tuin wat bekomen.

 

AGNES:          Voorzichtig Médart...

 

RITA:             Ik zal een stoel meenemen.

 

PAUL, AGNES EN RITA HELPEN MOEDER LANGS DE VERANDA DE KAMER UIT.

 

PAUL, AGNES, RITA, MOEDER AF.

 

DE BEL GAAT.

 

ROBERT:        Daar hebt ge hem.  Nu gaan we het krijgen.

 

MEDART OP.

 

MEDART KOMT LANGS DE HAL BINNEN.

HIJ IS VUIL EN HEEFT ZIJN KLEDEREN MAAR HALF AAN.

 

ROBERT:        Dag pa,  amaai,  gij ziet er lief uit.

 

MEDART:       Da’s allemaal de schuld van ons Melanie.   Waar zit dat mens?

                       (gaat naar de deur rechts, opent ze en roept) Melanie!!!

                       Awel, waar zit ze ?

 

ROBERT:        (houdt Médart tegen)

Ons ma ligt voor ‘t moment van haar stokske.

 

MEDART:       Waar?

 

ROBERT:        Luistert pa,  ik moet eerst in de rapte wat uitleggen,  want anders ga ge er niks van verstaan.

 

MEDART:       Niks uit te leggen,  waar is ze? (Loopt naar keukendeur) Melanie!

                      

ROBERT:        Pa!  Luister nu eens dertig seconden want alles is hier ferm in het honderd aan ‘t lopen.

 

MEDART:       In ‘t honderd hé...  Ze had niet verwacht zeker dat ik nog terug zou komen.

 

ROBERT:        Ge kunt het geloven of niet,  maar ons ma is heel ongerust geweest. ‘t Scheelde niet veel of ze had de één inzinking op de ander.

 

MEDART:       Die komedie ken ik.  Als ‘t niet met haar goesting is begint hare moteur te pruttelen.

 

ROBERT:        Luistert pa, verstop u in de keuken, ik zal ons ma gaan halen.

 

MEDART:       Mij verstoppen in de keuken?

 

ROBERT:        Ja in de keuken,  of in de garage als ge daar liever zit.

 

MEDART:       In de keuken.  Maar dat is goed voor vijf minuten hé.  Ge kunt zien dat ze dan hier is.

ROBERT:        Zeg eens pa,  ge zijt nu al een paar dagen weg.  Op die vijf minuten zal het nu toch ook wel niet steken hé.

                       Ik zal ons ma sturen als ze wat bekomen is.

                       Allez vooruit...

                       (duwt Médart naar de keuken)... en zijt stil.

 

MEDART AF.

 

ROBERT:        ‘t Is te hopen dat hij het daar nu een beetje wilt volhouden,  dan valt er misschien nog wel iets te regelen.

                       (gaat richting veranda)

 

MEDART OP.

 

MEDART KOMT UIT DE KEUKEN MET DE PIAMA VAN PAUL IN ZIJN HAD.

 

MEDART:       Zeg eens, wat doet die pyjama hier op tafel?

 

ROBERT:        Die is van de Paul.  Die heeft daar zijn kleedkamer.

                       Allé vooruit, ga terug en zijt stil.

                       (duwt Médart terug in de keuken)

 

MEDART AF.

 

ROBERT STAPT OPNIEUW RICHTING VERANDA.

 

MEDART OP.

 

MEDART OPENT WEER DE KEUKENDEUR EN KOMT DE SCENE OP.

 

MEDART:       Heeft de Paul zijn kleedkamer in ons keuken???

 

ROBERT:        Ja in ons keuken!

                       Allé,  neemt dat mee terug en blijf daar nu eens zitten, of het wordt een compleet fiasco.

                       (duwt Médart terug naar de keuken)

 

MEDART AF.

 

ROBERT:        Nu eens zien of ze al terug leven in ons ma gekregen hebben.

 

BETSY OP.

 

BETSY KOMT RECHTS DE WOONKAMER BINNEN.

 

BETSY:           Haai Rooby,  good morning.

 

ROBERT:        Amaai,  nu dat weer.

 

BETSY:           Ik heb kedroomd this night.  Oh... ‘t was so nice.

 

ROBERT:        Ik zal maar niet vragen waar dat het over ging zeker.

 

BETSY:           Maar kij moogt ‘t weet hoor.

 

ROBERT:        Dromen zijn bedrog.  Ik heb eens gedroomd dat ik een meiske was en dat is ook niet uitgekomen.

 

BETSY:           Kij een meisje,  that’s impossible.

 

ROBERT:        Dat weet mijn gat ook.

 

ZE HOREN IN DE KEUKEN IETS VALLEN.

 

BETSY:           Hé,  What’s that?

 

ROBERT:        Dat euh... dat is de werkman.  Die is de afloop aan het maken,  die is verstopt.

 

BETSY:           De aflop?

 

ROBERT:        De waterafvoerpijp.

                       Ik zal wel eens gaan kijken.  Gaat gij ondertussen in de tuin maar eens zien hoe het met ons ma is,  want die is daarstraks van haar sus gevallen.

 

BETSY:           Van welke sus?

 

ROBERT:        Van haar zelve...  van hare klod...  van haar stokske.

 

BETSY:           Ze heeft zik tok keen pijn kedaan?

 

ROBERT:        Dat weet ik niet.  Allez, ga het maar eens vragen.

                       (duwt Betsy richting veranda)

 

BETSY AF.

 

ROBERT GAAT NAAR DE KEUKEN.

 

ROBERT AF.

JOS OP.

 

JOS KOMT MET PAK EN ZAK VIA DE HAL DE KAMER BINNEN.

 

JOS:               Waar zit dat volk hier?  Hé...  de buffer is thuis!

                       ...

                       Dat is hier nogal een ontvangst hé,  ‘t Enthousiasme loopt er weer af.

                       ...

                       (roept aan de rechtse deur)

                       Mannekes, de Jokke is thuis!

 

BETSY OP.

 

BETSY KOMT VANUIT DE VERANDE OP.

 

JOS:               Awel mercie,  van waar komt gij poezeke?

 

BETSY:           Van buiten.  Ik kom water haal.

 

JOS:               Water?  ‘t Is toch nu niet ‘t moment om bloemekes te gaan gieten.

 

BETSY:           Nee,  ‘t is niet voor de blom,  ‘t is voor de madam.

                       Hebt kij uwe waterafvoerpijp al gemaakt?

 

JOS:               Mijne waterafvoerpijp schatteke...  zijt gerust,  daar mankeert niks aan.  Die is voor het moment zelfs in topconditie.

 

BETSY:           Rooby zei de ze kapoot was.

 

JOS:               Niks kapoot.  Zegt tegen die Rooby dat hij er geen ballen van weet.

 

BETSY:           Dan mag ik een beetje water pak?

 

JOS:               Dat is wat anders.

                       Legt eerst eens schoon uit wie dat gij eigenlijk zijt.

 

BETSY:           Ik ben Betsy en...

 

ROBERT OP.

 

ROBERT KOMT VANUIT DE KEUKEN DE WOONKAMER BINNEN.

 

ROBERT:        Hier se,  onze soldaat is terug.  Hebt ge den oorlog overleefd?

 

JOS:               Zwijgt stil hé. Tegen mij moeten ze niet meer klappen over maneuvers. Losse flodders noemen ze dat, maar de Benny heeft wel zo’n tet in zijn achterste.

 

ROBERT:        Die zal misschien niet willen onderdoen voor zijn lief.

 

BETSY:           Zek Rooby,  ik mut wat water heb voor madam.

 

ROBERT:        Pak maar hé,  ge weet de kraan.(stapt richting keuken)

 

JOS:               Is dat nu de laatste aanwinst?

 

ROBERT:        NEE BETSY!  Wacht!!

                       Ik zal het wel gaan halen,  want ze zijn daarachter nog aan ‘t werken.

                       Blijf gij maar hier bij onze Jos.

 

ROBERT AF.

 

JOS:               Poezeke,  vertel mij nu een keer wie dat gij eigenlijk zijt?

 

BETSY:           Ik ben Betsy.

 

JOS:               Ja, dat dacht ik al.  En van waar komt gij?

 

BETSY:           Uit Melbourne.

 

JOS:               Allez,  uit de Ardennen.

 

BETSY:           Uit de Ardennen?

 

JOS:               Waar dat ze Frans klappen...   parler Français.

 

BETSY:           No no...   Enkels.

 

JOS:               Enkels?   Amaai mijn botten.

 

ROBERT OP.

 

ROBERT KOMT MET EEN SCHOTELTJE EN EEN WASHANDJE UIT DE KEUKEN.

 

ROBERT:        Voila,  doet dat maar naar buiten.

 

BETSY NEEMT HET AAN EN GAAT RICHTING TUIN.

 

JOS:               Dag poezeke.

 

BETSY AF.

 

JOS:               Een ferm is ‘t wel,  maar volgens mij staan ze alle vijf niet op een rijtje.  Wat komt die hier feitelijk doen.

 

ROBERT:        ‘t Is een heel ingewikkeld verhaal. Ze is hier met haar moeder op vakantie. Onze pa was eruit getrokken en nu denken zij dat Paul onze pa is en Rita mijn zuster.

 

JOS:               Da’s belachelijk.  En waar is onze pa dan?

 

ROBERT:        Die verstopt zich voor ‘t moment in de keuken

 

JOS:               Onze pa speelt verstopperke... ‘t gaat hier nog plezant worden.

 

ROBERT:        Voor mij is ‘t plezante er allang af. Ik heb gisteren serieuze ambras gehad met Rita omdat die Betsy een echte jongeszot is.

 

JOS:               Oh,  dat moet ik dan eens uittesten.

 

ROBERT:        Zonder mij hé.  Rita haar ogen schieten vlammen als ze nog maar denkt dat ik in de buurt van Betsy ben.

 

JOS:               Broerke,  ge weet dat ge voor zo’n dingen op mij kunt rekenen.  Dat poezeke zal ik wel onder mijn vleugels nemen. Dan kan ze eens kennis maken met de waterafvoerpijp.

 

ROBERT:        Ssssttt,   ze zijn daar.

 

MOEDER, AGNES, RITA OP.

 

ZE ONDERSTEUNEN MOEDER WANNEER ZIJ DE WOONKAMER BINNEN KOMT.

 

AGNES:          Voorzichtig Melanie,  doe maar op het gemakske aan.

 

ROBERT:        ‘t Is precies toch al beter.

 

JOS:               Dag ma.

 

MOEDER:       Och Joske,  zijt gij ook al terug jongen.

 

AGNES:          Da’s de oudste zeker.

 

JOS:               De Jokke,  buffer eerste klas.

 

RITA:             Dag broerke,  nu zijt ge lang weggebleven hé. (omhelst Jos)

 

AGNES:          Allé, waar blijft Médart toch zitten?

                       (gaat tot aan de veranda)

                       Médart!!  Médart!!!!

 

MEDART DOET DE KEUKENDEUR OPEN.

ROBERT DUWT HEM ONMIDDELLIJK TERUG IN DE KEUKEN.

PAUL EN BETSY KOMEN UIT DE TUIN DE SCENE OP.

 

PAUL EN BETSY OP.

 

PAUL:            Ik ben al daar se.

 

AGNES:          Gaat gij maar in de zetel liggen Melanie. Gij hebt die voor ‘t moment toch niet nodig hé Médart.

 

PAUL:            Nee,  laat ons Melanie maar wat rusten.

 

MELANIE:      (Legt zich neer in de zetel)

 

AGNES:          Zo,  en dan zal ik ondertussen in de keuken eens voor koffie gaan zorgen.

 

ROBERT:        Nee,  ze mag niet te veel drinken.  Rust, dat heeft ons ma nodig. Dat is van al die drukte dat ze niet goed is.

 

PAUL:            Jaja,  dat kan wel zijn.

 

ROBERT:        ‘t Beste is dat we haar hier een beetje alleen laten liggen,  dan kan ze terug op haar positieven geraken.

 

AGNES:          Maar allé Robert,  we kunnen Melanie nu toch niet aan haar lot overlaten.

 

ROBERT:        Nee,  dat bedoel ik ook niet. Rita en ik, wij zullen wij wel hier blijven en de rest kan misschien iets anders doen.

 

JOS:               Dat vind ik geen slecht gedacht.  Ik zal boven mijn paparassen gaan uitladen en poezeke,  als gij wil moogt gij mij helpen.

 

BETSY:           OK.

 

PAUL:            En wat kan ik doen.

 

AGNES:          We zullen wij nog maar wat gaan wandelen...  een beetje frisse lucht is nooit slecht.... allé, als Melanie er tenminste niks op tegen heeft?

 

MOEDER:       Nee nee, doe maar gerust,  naar mij moet je niet zien.

 

AGNES EN PAUL GAAN LANGS DE VERANDE BUITEN.

 

AGNES EN PAUL AF

 

JOS:               Kom poezeke,  we zullen er eens invliegen.

                       Hier se,  draagt gij mijn kabas. (gooit een zak naar Betsy)

 

BETSY EN JOS GAAN RECHTS AF.

 

JOS EN BETSY AF.

 

MOEDER:       Is onze pa al thuis?

 

ROBERT:        Die zit voor ‘t moment in de keuken.

 

MOEDER:       Wat heeft hij gezegd?

 

ROBERT:        Ik heb het hem in ‘t kort uitgelegd,  maar volgens mij ziet hij het toch allemaal niet zitten.

 

MOEDER:       En wat nu?

 

ROBERT:        Ik zal hem maar roepen zeker.

                       (stapt richting keuken)

 

MOEDER:       Wacht eens...  Ge verstaat toch dat die nu niet kan blijven.

 

RITA:             Hij kan misschien voorlopig bij ons thuis gaan slapen.

 

MOEDER:       Bij jullie?

 

ROBERT:        Dat gaat hij nooit willen doen.

 

MOEDER:       Och, ‘t was allemaal niks geweest als die Agnes hier niet was.

 

ROBERT:        Ge moet hem dat uitleggen hé ma.

 

MOEDER:       Wie?  Ikke?

 

ROBERT:        Wie anders,  gij zijt ermee getrouwd hé.

 

MOEDER:       Mijn hart blijft daar niet tegen kunnen.  Geef mij eerst nog maar een pilleke.

 

ROBERT:        (naar de kast met medicamenten) Eén van die roze ma?

 

MOEDER:       Ja,  da’s goed.

 

ROBERT:        (geeft pilletje aan moeder) Allé,  ik ga hem halen.

                       (stapt richting keuken) En vliegt er nu niet direct tegen uit hé.

 

MOEDER:       Hij zal toch een schone uitleg moeten geven.

 

ROBERT DOET DE KEUKENDEUR OPEN.

 

ROBERT:        Kom pa,  ons ma is hier.

 

MEDART OP.

 

MEDART:       Dat werd tijd ook.  Awel,  waar is ze nu?

 

ROBERT:        Ons ma ligt in de zetel,  ze voelt zich niet zo goed.

 

MEDART:       Dat is dan maar zoals ik.

                       Zeg eens, wat is dat allemaal met Paul?

 

MOEDER:       Dat komt ervan als niemand weet waar dat gij zit.

 

MEDART:       En dan pakt ge Paul zomaar in huis?

 

RITA:             Dat was mijn gedacht,  en onze va vond het niet erg om dat te doen.

 

MEDART:       Ah zo,  die vond dat niet erg om hier de bonjour te komen draaien als ik eens vijf minuten weg ben.

 

MOEDER:       Watte?  Vijf minuten?  Al bijna een week ja.

                       En waar hebt gij feitelijk gezeten.

 

MEDART:       Overal.

 

MOEDER:       Jaja,  dat zal wel zijn,  maar behalve dan waar ge moest zijn. Op uw werk wisten ze ook al van niks.

 

MEDART:       Dat zijn mijn affaires.

 

ROBERT:        Onze pa is terug hé ma,  dat is toch ook al iets.

 

MOEDER:       (staat recht uit de zetel)

Médart luister hé...  van de éne kant ben ik blij dat ge terug zijt.  Maar deze week kom ge eigenlijk ferm ongelegen.

 

ROBERT:        Dat is met die Australische hé pa,  ik heb toch gezegd dat die denkt dat ons ma met Paul getrouwd is.

 

RITA:             Als gij wilt hé Médart, dan kunt ge een paar dagen bij ons thuis gaan slapen.  Ge krijgt mijn kamer.

 

MOEDER:       Awel, dat is de oplossing, en dat en komt Agnes niks te weten.

 

MEDART:       Ik zal die Agnes eens rap aan haar verstand brengen dat de Paul hier niks te maken heeft.

 

RITA:             Maar allé...  en ons vake speelde zijne rol nog zo goed.

 

MEDART:       Uwe vake hé,  die zet hier gene voet meer binnen.

 

MOEDER:       (Pakt naar haar hart) Ik wist het hé...  ik wist het.

 

RITA:             Onze vake heeft toch maar gedaan om goed te doen.

 

MOEDER:       Da’s zeker kinneke.  Wat voor een schandaal zou het anders geweest zijn.

 

MEDART:       Ge hebt het gehoord hé:  De Paul buiten of ik.

 

ROBERT:        Maar allé pa,  verstaat dat nu toch eens,  zolang Agnes hier is,  moet Paul hier toch ook blijven.

 

MEDART:       Dan vliegt die Agnes ook buiten.

 

MOEDER:       Hoe durft ge.  ‘t Is twintig jaar geleden dat ik mijn beste vriendin nog gezien heb.  Die komt speciaal van Australië naar hier en dat zoude gij die zomaar buiten zetten?

 

MEDART:       Geen complimenten hé:  Paul en die Agnes buiten,  of anders ik.  Nu kunt ge kiezen se.

 

MOEDER:       Als gij wilt wringen hé,  dan kan ik dat ook:  Agnes die blijft en Paul ook.

 

MEDART:       Dan trouwt ge er maar mee.  Ik ben weg.

                       (stapt naar de hal)

 

ROBERT:        Pa,  toch weeral niet.  Ge zijt nog maar pas terug.

                      

MEDART:       En deze keer is het voorgoed!

 

MEDART AF.

 

MOEDER:       Ik heb het toch gezegd... Ge kunt er niet mee klappen.

 

ROBERT:        Schoon hé...  En hoe moet dat nu met onze trouw?

 

MOEDER:       En ge moet niet denken dat ik nu weer eens naar die Bol ga bellen hé...  het bestaat niet.

 

JOS EN BETSY OP.

 

JOS EN BETSY KOMEN RECHTS OP.

BETSY HEEFT EEN LEGERUNIFORM VAN JOS AAN.

 

JOS:               Voila se,  ik heb ons poezeke in ‘t nieuw gestoken.

 

BETSY:           Rooby,  what do you think?

 

ROBERT:        Laat me eens kijken.

 

RITA:             (Jaloers) Snoes!

 

ROBERT:        Geweldig hé Rita.

 

RITA:             ‘t Is in ieder geval beter als die mini rok.

 

BETSY:           Wat zekt kij.

 

RITA:             Ik,  ik zekt niks.

 

JOS:               Is alles nu opgelost?

 

MOEDER:       Voorlopig wel ja.

 

ROBERT:        Ferm opgelost is dat hier.  Hij is ‘t terug afgetrapt.

 

JOS:               Hoe?

 

ROBERT:        Daar se,  langs de deur,  met de commentaar:  voorgoed.

 

JOS:               Da’s straf.

 

MOEDER:       Al bij al is dat voorlopig nog het beste.

 

BETSY:           Zek Rooby,  ik ga met Jos iets drinken in de Billies. Do you come with us?

 

MOEDER:       Zouden we eerst eens niet ontbijten?  Ge kunt nu toch van ‘s morgens niet op café gaan hangen.

 

JOS:               Daar worden wij wel voor getraind hé ma... in ‘t leger.

 

ROBERT:        Eerst eten vind ik geen slecht gedacht.  Mijn maag rammelt van de honger.  Maar komt niet af met bonen hé ma.

 

MOEDER:       Wie eet er nu ‘s morgens bonen?

                       Rita,  wilde gij met Betsy de tafel al dekken

 

RITA EN BETSY GAAN NAAR DE KEUKEN.

 

RITA, BETSY AF.

 

MOEDER:       En Jos, gaat gij Agnes en Paul eens halen in de tuin.

 

JOS:               (Salueert) Tot uw orders commandant.

 

MOEDER:       Op ‘t gemakske hé,  de maneuvers zijn gedaan.

 

JOS GAAT NAAR DE VERANDA.

 

JOS AF.

 

MOEDER:       (Zucht) Ik vind het ook erg dat het zo moest aflopen.  Voor mij is dat ook niet plezant hé.

 

ROBERT:        Hij zag er nogal uit.  Ik vraag mij af waar onze pa al die tijd gezeten heeft.

 

MOEDER:       Ook stom dat hij er niet aan gedacht heeft om een proper kostuum aan te trekken.

 

ROBERT:        ‘t Is te hopen dat hij het verstand heeft om iets nieuw aan te kopen...  zo kan hij er toch niet blijven bijlopen.

 

RITA OP.

 

RITA KOMT VANUIT DE KEUKEN OP MET EEN SCHOTEL WAAROP TASSEN

STAAN EN BESTEK LIGT.

 

RITA:             Hier snoes,  zet gij alles op zijn plaats,  dan ga ik in de keuken nog wat gaan helpen. (zet de plateau op tafel)

 

RITA AF.

 

ROBERT:        Wel gemakkelijk als ge met gasten kunt werken.

 

MOEDER:       Da’s niks,  dan kent ge dat al tegen dat ge getrouwd zijt.

 

ROBERT DEKT DE TAFEL.

JOS, PAUL EN AGNES KOMEN VANUIT DE VERANDA OP.

 

JOS, AGNES, PAUL OP.

 

AGNES:          En Melanie,  hoe is ‘t ermee?

 

MOEDER:       Het gaat al terug veel beter.

 

AGNES:          Dat doet me plezier van dat te horen se.

 

JOS:               Robert,  kom eens effe mee naar boven,  ik moet nog het één en ander laten zien.

 

ROBERT:        Het zal weer wat zijn. (gaan rechts af)

 

JOS EN ROBERT AF.

 

AGNES:          En Melanie,  waar is Médart?

 

MOEDER:       Médart?  Daar se. (Wijst naar Paul)

 

AGNES:          Ah nee Melanie, dat is Paul.

 

MOEDER:       Paul???

 

AGNES:          Melanie toch,  voor mij moet gij toch geen geheimen hebben.

 

PAUL:            Ik wist dat Médart terug was en daarom heb ik alles maar uitgelegd.

 

AGNES:          Dat gebeurt toch overal dat er al eens een woordeke is.

 

PAUL:            Ik dacht,  ik kan het maar beter zeggen  voor Agnes van hare sus valt van ‘t verschieten.

 

AGNES:          Ik ben content dat alles weer in orde is.

 

MOEDER:       (begint te wenen)

 

AGNES:          Ge moet daar niet voor wenen. Vooruit, stel me eens voor aan Médart.

 

MOEDER:       Hij is al terug weg.

 

PAUL:            Maar allé,  zwaanst nu niet hé?  Toch niet terug weg?

 

MOEDER:       Hij heeft hier wat ambras komen maken en ineens is hij het terug afgetrapt.

 

AGNES:          Och kind toch.

 

PAUL:            Ik hoor het al,  ik zal hier vannacht weer in de zetel kunnen slapen.

 

MOEDER:       Ge had hem moeten zien,  hij zag er nogal uit. ‘t Was juist ne clochard.

 

AGNES:          Ik kan me dat voorstellen kind,  met Wayne was dat juist  hetzelfde. Mannen die denken dat ze de vrouwen kunnen missen,  maar als ze er dan alleen voor staan, dan zitten ze in de miserie.

 

PAUL:            Jaja, daar zit wat in.

 

AGNES:          (Tegen Paul) En gij hebt dan nog een dochter die het één en ander voor u kan doen. Maar als die trouwt, wat dan?

 

PAUL:            Dan zal ik ook een clochard worden zeker.

 

RITA ROEPT VAN AAN DE KEUKENDEUR:

 

RITA:             Het eten is klaar hé,  ge moogt aan tafel gaan zitten.

 

MOEDER:       Ik zal de jongens gaan halen,  dan kan ik nog eens door mijn gezicht wrijven. (rechts weg)

 

MOEDER AF.

 

PAUL:            (terwijl ze aan tafel gaan zitten)

                       Ja, het leven is niet gemakkelijk.

 

AGNES:          Als ge iemand hebt waar ge kunt op terugvallen,  dan gaat het nog.

 

PAUL:            Jaja,  maar dat hebt ge niet zomaar voor het pakken hé.

 

AGNES:          Ik heb ondervonden hé Médart,  of ik zal nu maar Paul zeggen zeker,  dat ik met jou goed kan opschieten.

 

PAUL:            Maar allé Agnes,  wat hoor ik allemaal?

 

AGNES:          Weet ge dat ik echt content was, toen ik hoorde dat gij niet met Melanie getrouwd zijt.

 

PAUL:            Agnes...  gij kijkt zo raar.

 

AGNES:          Paul,  volgens mij moeten wij deze dagen nog een serieus met mekaar praten.

 

PAUL:            Denkt gij dat nu echt Agnes?

 

AGNES:          Ik ben een vrouw hé Paul... en ik voel... hoe moet ik zeggen... (komt intussen steeds korter bij Paul alsof ze een kus wil geven)... dat er iets gaat gebeuren.

 

BETSY OP.

 

BETSY KOMT VANUIT DE KEUKEN BINNEN MET EEN SCHOTEL.

 

BETSY:           Where is everybody?

 

DE BEL GAAT.

 

AGNES:          Ik zal wel even gaan kijken. (hall)

 

AGNES AF.

RITA OP.

 

RITA KOMT VANUIT DE KEUKEN OP MET DE KOFFIE.

 

RITA:             Waar zijn ze nu allemaal?

 

PAUL:            Melanie is boven de mannen halen.

 

RITA:             Allé vake, zet u al maar neer.

 

PAUL:            (Gaat aan tafel zitten)

 

MELANIE, JOS, ROBERT OP.

 

KOMEN VAN RECHTS OP EN STAPPEN NAAR DE TAFEL.

 

JOS:               Bikke bikke bik!

 

ROBERT:        Hap hap hap.

 

JOS:               En heeft mijn poezeke voor mij een plaats gehouden?

 

BETSY:           Yes Djos,  kij moogt hiet zit.

 

RITA:             En deze stoel is voor mijne snoes.

 

MOEDER:       En waar is Agnes?

 

PAUL:            De bel ging,  ze is gaan zien.

 

RITA:             Dat kan goed de pastoor zijn voor zijn teksten.

 

ROBERT:        Ja zeg, dan zeggen we dat hij zijn goesting mag doen. Die heeft epistels genoeg.

 

AGNES OP.

 

MOEDER:       Wie was het?

 

AGNES:          De éne of de andere die dacht dat hij plezant was zeker.

 

JOS:               En hebt ge kunnen lachen?

 

AGNES:          Ik heb hem gezegd dat wij daar niet mee gediend waren en dat hij het beter kon aftrappen.

 

ROBERT:        Wat zei die dan?

 

AGNES:          Volgens mij was ‘t een meiskeszot. Hij vroeg of hij op Rita haar kamer mocht gaan slapen.

 

JOS:               Die zal denken dat het bij jullie een hotel is hé.

 

MOEDER:       Op Rita haar kamer... Maar Agnes,  dàt was Médart!

 

AGNES:          Médart?

 

MOEDER:       En waar is hij nu?

 

AGNES:          Hij heeft wat gemompeld en is verder gegaan.

 

MOEDER LOOPT VIA DE HAL DE SCENE AF.

 

MOEDER:       Médart!!!

 

MOEDER AF.

 

ROBERT LOOPT VIA DE HAL MOEDER ACHTERNA.

 

ROBERT:        Hij is toch weer niet weg zeker.

Paaa!!!!

 

ROBERT AF.

 

RITA LOOPT VIA DE HAL ROBERT ACHTERNA.

 

RITA:             Snoes!!!!

 

RITA AF.

 

PAUL:            Als Médart dat echt wil, dan mag die gerust in mijn bed slapen.

                       Médart!!!!

 

PAUL LOOPT VIA DE HAL DE SCENE AF.

 

PAUL AF.

 

AGNES:          Paul!!!!

 

LOOPT VIA DE HAL PAUL ACHTERNA.

 

AGNES AF.

 

BETSY:           Where is everybody?

 

JOS:               Dat moet ge u niet aantrekken poezeke.

Kom hier,  we hebben het kot voor ons alleen.

                       (omarmt haar en geeft haar een zoen.  Ze laten zich in de zetel vallen.

 

 

 

 

 

 

 

 

.