TANJA en ROB wonen
samen op de derde verdieping van een appartementsgebouw. Rob studeert economie
aan de universiteit, maar droomt ervan ooit acteur te worden. Tanja zorgt voor
het inkomen.
Tanja is over haar
toeren omdat zij vermoedt dat zij in verwachting is. Daarenboven denkt zij dat
Rob haar bedriegt met INGE een studiegenote van hem.
Rob is over zijn
toeren omdat Tanja een brief gestuurd heeft naar zijn ouders – die niet eens
wisten dat hij met iemand samenwoont – om hen te informeren over haar
zwangerschap. PA en MA besluiten dan ook om op bezoek te komen.
PASCALE heeft haar
man verlaten omdat hij helemaal niet te spreken is over haar zwangerschap. Hij
vind immers dat ze eerst nog wat van het leven moeten profiteren alvorens
kinderen te kopen. Zij heeft haar intrek genomen op de vierde verdieping, net
boven het appartement van Tanja en Rob.
En dan is er nog
LISETTE, de poetsvrouw van de blok. Een heel goed mens, maar nieuwsgierig tot
en met. En daarenboven moeit ze zich met alles…
Rolverdeling:
TANJA: 20
jaar.
ROB: 21
jaar.
LISETTE: 40
jaar.
PASCALE: 25
jaar.
INGE: 21
jaar.
MOEDER: 45
jaar.
VADER: 45
jaar.
Decor:
Woonkamer in een appartementsblok.
Deuren: Buitendeur
Deur naar wc
Deur naar slaapkamer
Deur naar keuken.
Venster met zicht naar buiten.
Bedrijven:
1ste bedrijf: TANJA, LISETTE, ROB, PASCALE,
2de bedrijf: TANJA, LISETTE, ROB, INGE,
Pauze
3de
bedrijf: ROB, LISETTE, INGE,
PASCALE, MA, PA, TANJA
De
auteur :
Eugeen Van Aerschot
Is reeds jaren actief als realisator en/of producer
van televisieprogramma’s en industriële films.
Op toneelgebied is hij artistiek verantwoordelijke van
Kamertoneel De Begijn.
Van dezelfde auteur zijn de blijspelen:
-
Een vervangingspapa
-
Sexy Lingerie
-
Intimo
-
Help ze is in verwachting
-
Amaai mijn darmen
En het boek “Theater”, handboek voor toneelmakers en
toeschouwers, dat hij schreef met Hugo Meert.
EERSTE BEDRIJF
We bevinden ons in de woonkamer van het appartement
waar Rob en Tanja wonen.
TANJA OP
BUITENDEUR
Tanja komt via de buitendeur gehaast de woonkamer
in. Ze heeft een zak met winkelwaar bij zich. Bij het binnenkomen sluit ze de
buitendeur niet volledig.
Ze plaatst de zak op de tafel en begint dan in de
zak naar een doosje voor een zwangerschapstest te zoeken. Zodra ze het doosje
gevonden heeft, doet ze het open, neemt er de bijsluiter uit en leest vlug. Tanja
gaat naar de wc.
TANJA AF
WC-DEUR
Zodra Tanja de wc-deur gesloten heeft, duwt
poetsvrouw Lisette voorzichtig de buitendeur open.
LISETTE OP
BUITENDEUR
Lisette komt neuriënd binnen. Ze heeft een emmer en
een zeemvel bij. Ze gaat naar de keukendeur.
LISETTE AF
KEUKENDEUR
TANJA OP
WC-DEUR
Tanja opent de wc-deur en komt met een
zwangerschapsteststrookje in de hand op. Ze kijkt naar haar horloge.
TANJA: 37,
36, 35, 34, .....
Is
dat bolleke nu rood of niet?
Ze gooit het strookje op tafel. Zoekt een
telefoonnummer, neemt uit haar handtas haar gsm en drukt het nummer in.
TANJA: Met
dokter Moras?
’t
Is hier Tanja Wouterman. Dokter ik heb daarjuist zelf een zwangerschapstest
gedaan, maar ik ben niet helemaal zeker over het resultaat. Daarom zou ik eens willen
langs komen? Wanneer past dat?
(Overmorgen
om 10 uur. Is dat een probleem?)
Neenee,
dat is geen probleem.
(Dan
noteer ik het zo)
Da’s
goed, dan kom ik overmorgen langs.
Dag
dokter.
Legt gsm op tafel. Gaat voor de grote spiegel staan
die tegen de muur hangt. Ze legt haar handen op haar buik.
TANJA: In
verwachting... Dat moest er nog bijkomen.
Ja
Rob, nu zult ge wel moeten trouwen of uw make en pake daar nu mee content zijn
of niet.
Amaai
zeg, die zijn ouders zullen ook een beet verschieten als ze horen dat hij een
lief heeft.
Tanja ziet een briefje dat op het computerscherm is
geplakt. Ze neemt het.
TANJA: “Inge heeft problemen met boekhouden.
Ik ben naar haar kot. Tot straks”.
Is
hij nu weer naar die Inge? Op den duur gaat een mens nog denken dat hij er een
affaire mee heeft. Maar ’t zal gedaan zijn met om de vijf minuten naar die trut
haar kot te gaan. Hij zal thuis blijven bij zijne kleine, juist zoals ik.
LISETTE OP
KEUKENDEUR
LISETTE: Maar
ziet ge wel dat ik iets gehoord heb. Ge zijt al thuis madam?
TANJA: Ja
Lizette, ik ben deze namiddag wat vroeger gestopt.
LISETTE: Da’s
toch plezant hé madam, als ge op uw werk kunt beginnen en stoppen als ge daar
goesting voor hebt. Dat zouden ze hier in de blok ook nog moeten kunnen
arrangeren se.
TANJA: Jamaar,
dat mag zomaar niet hé. Ge moet daar een serieuze reden voor hebben en dàn kan
onze chef dat per uitzondering eens toestaan.
LISETTE: Dan
had ge zeker een goeie reden uitgevonden madam?
TANJA: Dat
zal zijn hé Lisette, anders was ik nu nog niet thuis.
Tanja merkt dat het zwangerschapsteststrookje nog
op tafel ligt en steekt het haastig in haar zak.
LISETTE: Zeg,
ik heb deze voormiddag geen tijd gehad om te komen kuisen, maar dat had ge
misschien al gezien.
TANJA: Nee
Lisette, dat was mij nog niet opgevallen.
LISETTE: Ja,
’t is deze morgen nogal iets geweest.
TANJA: Problemen
gehad?
LISETTE: Och
madam, zwijg stil. Ze hebben dat appartement van hierboven verhuurd.
TANJA: Dat
werd tijd ook, dat stond toch al verschillende weken leeg.
LISETTE: En
tegen wie denkt ge dat ze weeral niks gezegd hadden?
TANJA: Tegen
wie moesten ze dat dan zeggen?
LISETTE: Tegen
mij natuurlijk.
TANJA: Ooh?
LISETTE: Toen
ik deze morgen hier aankwam, toen is de conciërge daar op zijn sloffen mee
afgekomen. Nu moest ik ineens heel dringend dat appartement onder handen nemen.
Het kon niet rap genoeg gaan.
TANJA: Da’s
toch goed voor u. Dan hebt gij er weer een klant bij.
LISETTE: Och,
’t is toch waar. ’t Is altijd op het laatste moment dat ze met zoiets afkomen.
Ik heb mijn heel planning voor vandaag moeten veranderen.
TANJA: Ah
zo, gij werkt met een planning?
LISETTE: Dat
is toch normaal hé madam. Kijk, normaal begin ik beneden te kuisen en ga ik
verdiep per verdiep naar omhoog. Maar vandaag ben ik dus op het vierde verdiep
moeten beginnen.
TANJA: Zo
erg is dat toch niet.
LISETTE: Ah
nee zeker… dat wil wel zeggen dat ik op de andere plaatsen veel later was en
mijn vaste klanten zijn daar niet content mee.
TANJA: Och
Lisette, ge moet dat allemaal zo niet dramatiseren.
LISETTE: Ge
kent mij hé madam, ik kan mij daar echt over opwinden.
Maar
allé, als het u niet derangeert, dan zal ik nu in de rapte de kuis doen.
TANJA: Doe
maar. Ik heb toch nog even werk.
LISETTE AF
KEUKENDEUR
Tanja neemt uit een kast een blad papier,
briefomslag en pen. Ze zet zich aan tafel om een brief te schrijven.
TANJA: Hoe
kan ik dat nu het best aan de Rob zijn ouders hun verstand brengen? Bah ja, het
schokeffect. Die mensen direct met hun neus op de feiten drukken:
“Beste toekomstige schoonmama en schoonpapa”.
LISETTE OP
KEUKENDEUR
Tanja schrijft verder.
Lisette komt vanuit de keuken op om het raam te
kuisen.
LISETTE: Amaai
madam, gij zit gij daar zo serieus te schrijven. Gaat gij nu ook nog beginnen
met studeren?
TANJA: Nee
Lisette, éne aan de universiteit is al meer dan genoeg zeker. Daarbij, ik moet
hier voor de kost zorgen.
LISETTE: Ja,
da’s waar. Maar madam, als ge getrouwd zijt, en uwe vent gaat nog naar school,
trekt ge daar dan geen kindergeld van?
TANJA: Dat
zou kunnen, dat weet ik niet.
LISETTE: Hoe
gij weet dat niet?
TANJA: Wij
zijn niet getrouwd hé Lisette.
LISETTE: Allé
madam, wat zegt gij nu. Zijn jullie niet getrouwd?
TANJA: Nee
Lisette.
LISETTE: Dat
wist ik nu niet se. Ja, ik heb hier al wel eens rondgekeken en gedacht: die
hebben hier geen trouwfoto omhoog hangen... maar ja, dat kon ook zijn dat die
mislukt waren hé.
TANJA: Ja
Lisette, dat zou gekund hebben.
LISETTE: Allé,
dan zijt gij niet getrouwd.
TANJA: Nee.
LISETTE: ’t
Is nochtans een schone dag. Ik kan de mijne nog herinneren alsof het gisteren
was… Regenen dat het deed. Mijn kleed dat zag vanonder zo zwart als iets. ’t
Was precies of ik ermee door een gracht gestjesseld was…
Zeg
madam... hebt gij dan geen goesting om te trouwen?
TANJA: Als
het van mij afhangt, op staande voet.
LISETTE: Oeioei,
dan is ’t uwe meneer die niet wilt.
TANJA: Och,
ik weet het niet. Zolang hij nog studeert willen zijn ouders daar niks over
horen.
LISETTE: Allé
gij, waar die mensen hun eigen toch mee
willen moeien.
TANJA: En
zolang zijn papaake en mamaake dat niet willen, trouwt Rob natuurlijk niet.
LISETTE: Pas
dan toch maar op.
TANJA: Waarmee?
LISETTE: Dat
hij u de ene of de andere dag niet laat zitten.
TANJA: Waarom
zegt gij dat?
LISETTE: ’t
Is een student hé madam.
TANJA: En
dan?
LISETTE: Ge
weet toch hoe dat dat gaat, op de universiteit loopt er veel schoon vrouwvolk
rond.
TANJA: Dat
wil toch niks zeggen.
LISETTE: Als
ge de kat bij de melk zet...
TANJA: (Tanja stopt brief in omslag) Hij zal nu
wel van gedacht veranderen. Ik heb een verrassingske voor hem.
LISETTE: Hebt
ge er een cadeau voor gekocht madam?
TANJA: Gekocht
nog niet... Maar het is wel op komst.
LISETTE: Ah,
nu snap ik het… ge hebt er iets voor besteld.
Tanja
heeft brief in omslag gestoken en staat recht.
TANJA: Lisette,
ik moet nog even weg.
LISETTE: Derangeert
u maar niet madam, naar mij moet ge niet zien, ik heb nog werk genoeg.
TANJA: Gij
maakt de deur wel vast als ge gedaan hebt.
LISETTE: Zijt
gerust. Hier komt niemand binnen.
TANJA AF
BUITENDEUR
LISETTE: Tot
morgen madam!
Amaai,
navenant dat die heeft zitten schrijven, moet dat een serieus bestellingske
zijn. Maar allé, dat is een teken dat ze hem graag ziet, anders zou ze er geen
cadeautjes voor bestellen.
Terwijl Lisette vlug en halfhalf verder kuist,
neuriet ze.
ROBERT OP
BUITENDEUR
Zet zijn boekentas op zijn bureau.
LISETTE: Ah,
meneer is ook al thuis.
ROB: Lisetteke,
hoe dikwijls moet ik nu nog zeggen dat ge die ‘meneer’ moogt weglaten. Ik heet
Robert. Rob voor de vrienden en voor de vriendinnen. Dus wat moet gij tegen
mij zeggen?
LISETTE: Ik
wil gewoon beleefd zijn meneer.
ROB: Ro...
LISETTE: Robert.
ROB: Voila se. Ge ziet dat ge het kunt hé.
ROBERT AF KEUKENDEUR
LISETTE: (Lisette
kuist verder).Hebt gij uw
madam nog gezien?
ROB: Tanja?
LISETTE: Die
is juist vertrokken voor gij binnenkwam.
ROBERT OP KEUKENDEUR
ROB: (Robert komt terug op met een pintje bier.)
Ze
zal de andere lift gepakt hebben. Maar die moest toch werken?
LISETTE: Ze
had een goeie reden uitgevonden en daarmee mocht ze vroeger stoppen van haar
chef.
ROB: Een
goeie reden? Wat kwam die dan doen?
LISETTE: Ja
zeg, ’t fijne weet ik er ook niet van.
ROB: Een
waar is ze nu?
LISETTE: Terug
weg.
ROB: Naar
waar?
LISETTE: Ik
weet niet of ik dat allemaal mag zeggen.
ROB: Wat
is daar nu geheim aan?
LISETTE: ’t
Heeft iets te maken met een cadeau.
ROB: Met
een cadeau? Voor wie?
LISETTE: Voor
u natuurlijk.
ROB: Voor
mij?
LISETTE: Allé,
ge moet nu niet denken dat ge hem vandaag al gaat krijgen hé. Ze heeft het
alleen nog maar besteld.
ROB: Wat
heeft ze besteld?
LISETTE: Ja,
dat weet ik ook niet. Daarbij, ik mocht daar niks van zeggen.
ROB: ’t
Zal wat zijn.
LISETTE: Ja,
ik ben zelf ook curieus. Ge moet het
volgende week maar eens laten zien als het aangekomen is.
ROB: Dat
zal ik zeker doen.
LISETTE: Voila
se, het venster is weeral proper.
ROB: Dat
hebt gij goed gedaan Lisette.
LISETTE: Daar
zorg ik voor hé meneer, dat ge over mijn werk geen klagen hebt.
ROB: Maar
mijn naam onthouden... dat is een ander probleem.
LISETTE: Sorry
Robert. Ik zal er vanaf nu écht op letten.
ROB: Ik
ben benieuwd hoelang gij dat gaat volhouden (Kijkt
op zijn horloge).
LISETTE: Daar
zoude gij nog kunnen van verschieten.
ROB: We
zullen zien.
LISETTE: Allé,
ik ben ermee weg, want ik sta vreet achter op mijn schema.
ROB: Ja Lisette, salukes.
LISETTE: SST. Ik heb niks gezegd hé.
Op het moment dat Lisette naar buiten wil gaan,
roept Rob.
ROB: Zeg
Lisette!!!
LISETTE: Ja
meneer?
ROBERT: (Kijkt op zijn horloge) Juist 20
seconden.
LISETTE: Och
gij.
LISETTE AF
BUITENDEUR
Rob haalt spullen uit zijn boekentas en zet zich in
de zetel.
ROB: Een
cadeau? En dan nog wel éne die ze moet
bestellen? Wat kan dat nu zijn?
DEURBEL
RINKELT
Rob drukt de toets van de parlofoon in om de deur
te openen en zet zich terug neer.
PASCALE OP
BUITENDEUR
Pascale komt binnen. Haar dikke buik verraadt dat ze
al enkele maanden zwanger is.
ROB: Ge
zijt zo vroeg thuis vandaag?
PASCALE: Pardon?
ROB: Oei.
Ik dacht dat gij Tanja waart.
PASCALE: Tanja?
ROB: Ja,
mijn vrouw... allé, mijn vriendin. Maar euh, wij wonen hier wel samen.
PASCALE: Oh.
Sorry dat ik zomaar kom aanbellen.
ROB: Da’s
niet zo erg. Die bel dient daarvoor.
PASCALE: Ik
kom eigenlijk gewoon maar eens kennismaken.
ROB: Effe
kennismaken? Da’s heel vriendelijk van
u.
PASCALE: Ik
ben Pascale.
ROB: Pascale... Ik ben Rob.
PASCALE: Ik
ben de nieuwe bewoonster van het appartement hierboven.
ROB: Olala,
er komt een nieuw gezinnetje boven ons dak.
PASCALE: Een
gezinnetje is wat veel gezegd. Ik woon daar alleen.
ROB: Alleen?
Ik had er nochtans durven op wedden dat ge getrouwd waart.
PASCALE: Dat
ben ik ook.
ROB: Ah
dus toch. Kom binnen en zet u effe neer.
PASCALE: Dank
u.
ROB: Dus
toch getrouwd.
PASCALE: Ja.
ROB: Maar
euh... hierboven woont ge alleen?
PASCALE: Ik
lig voor ‘t moment serieus overhoop met mijne man en daarom verhuis ik voor
een tijdje.
ROB: Met
andere woorden: ge zijt ‘t afgebold.
PASCALE: Zo
zou je het kunnen noemen, ja. ’t Komt door onze kleine. Ik ben zo content als
iets dat ik in verwachting ben. Maar mijn man is daar absoluut niet over te
spreken.
ROB: Waarom
niet?
PASCALE: Hij
zegt dat hij nog een paar jaar van het leven wil profiteren en volgens hem gaat
dat absoluut niet met een kleine rond zijn oren.
ROB: Allé
gij... Vertel eens, wat mag ik
inschenken?
PASCALE: Och
doet geen moeite. Ik wou eigenlijk alleen maar vragen of ge eens naar ’t slot
van mijn koffer zou willen kijken. Ze klemt en ik krijg ze van geen kanten los.
ROB: Och,
als het dat maar is. Maar drink eerst toch iets. Wat mag het zijn?
PASCALE: Nee,
echt niet. Dank U.
ROB: Allé
dan… dan hebt ge nog een drank tegoed.
PASCALE: Afgesproken.
ROB: Vooruit,
ik zal mijn forsballen eens op uw koffer zetten.
PASCALE: Als
ge dat zou willen doen. Al mijn kleren steken erin.
ROB: Waar
is ze?
PASCALE: Hierboven...
ze ligt op mijn bed.
ROB: Vooruit,
let’s go
PASCALE en
ROB AF BUITENDEUR
TELEFOON
RINKELT
De telefoon rinkelt verschillende malen.
TANJA OP
BUITENDEUR
Tanja komt op via de buitendeur en haast zich om de
hoorn op te nemen.
TANJA: Hallo! Halloo!!
Ingehaakt.
Haakt hoorn in en ziet dan de lege bierpint op
tafel staan.
TANJA: Rob! Rooob!
Neemt de pint en brengt ze naar de keuken.
TANJA: Maar
enfin, die is toch weer niet terug naar die Inge. Robeeeeerrr!!!!!
Komt terug op met een mes en een plankje. Zet zich
aan tafel neer om de groenten te snijden.
ROB OP
BUITENDEUR
TANJA: Ge
komt toch nog naar huis.
ROB: Ook
een goeie dag hé. Waar is mijn pintje?
TANJA: Dat
staat allang in de keuken.
ROBERT AF
KEUKENDEUR
TANJA: (Binnensmonds) Bij die Inge hebt ge geen
bier gekregen zeker.
ROBERT OP KEUKENDEUR
Robert
komt op met een pintje bier.
TANJA: ’t
Ging weer van geen kanten zeker.
ROB: Wat?
TANJA: Ge
moest haar toch gaan helpen.
ROB: Ooh
dat... Ja, ik vind ‘t nogal een sympathieke en daarom ben in mee naar boven
gegaan.
TANJA: Naar
waar?
ROB: Naar
haar slaapkamer tiens.
TANJA: Naar
haar slaapkamer?
ROB Ze
lag op haar bed. Ik ben er gewoon effe met mijn gat gaan opzitten.
TANJA: Watte?
ROB: Met
mijn volle gewicht. Ze kwam direct los.
TANJA: Zeg
eens Rob!!!
ROB: Is
dat nu zo erg? Ik kon dat meiske toch niet aan haar lot overlaten. Dat kind zat
zonder kleren.
TANJA: Zonder
kleren?
ROB: Ik
heb haar trouwens gezegd dat als ze me nog eens nodig heeft, ze ’t
maar moet laten weten.
TANJA: Ik
geloof mijn eigen oren niet.
ROB: Volgens
mij zou het trouwens niet slecht zijn als gij u tussendoor ook een beetje over
haar ontfermt.
TANJA: Ikke?
ROB: Waarom
niet? Ze is al zes maand in verwachting.
TANJA: Is
die in verwachting?
ROB: Ja.
TANJA: En
van wie is die kleine?
ROB: Van
haar man natuurlijk.
TANJA: Is
die dan getrouwd?
ROB; Wat
dacht gij, dat ge van de heilige geest in verwachting geraakt.
TANJA: En
waarom is hare man er dan niet met zijn gat bovenop gaan zitten?
ROB: Omdat
ze voor ’t moment alleen woont... Ze heeft aan mij heel vriendelijk gevraagd of
ik haar dat plezierke wilde doen.
TANJA: En
gij kon dat niet weigeren.
ROB: Waarom
zou ik? Daar is nu toch niks aan.
TANJA: Niks
aan, niks aan. Hier se, maak uw eten zelf.
ROB: Zeg
eens Tanja?
TANJA: Daar
is ook niks aan.
ROB: Wat
hebt gij nu??
TANJA: Ik
ga naar boven en laat me gerust.
ROB: Vrouwen
hé.
TWEEDE BEDRIJF
We bevinden ons in de woonkamer van het appartement
waar Rob en Tanja wonen.
Op de zetel ligt een kopkussen en een deken. Op de
grond ligt een koffer die bijna ingepakt is. Op een stoel hangt nog wat
kleding.
Tanja komt via de slaapkamerdeur de woonkamer in.
Ze heeft nog wat kleding bij. Ze wordt op de voet gevolgd door Lisette, die ook
wat kleding van Tanja meebrengt.
TANJA en
LISETTE OP SLAAPKAMERDEUR
LISETTE: Jamaar
madam... ge hebt er gisteren nog een cadeau voor besteld. Dat zijn dan toch ook
verloren kosten geweest.
TANJA: Och
Lisette... Ge moest eens weten wat ik hier gisterenavond allemaal moeten horen
heb. Zo’n ogen heb ik getrokken. Ik heb goed genoeg verstaan dat hij mijn verrassingske
niet zal appreciëren.
LISETTE: Maar
madam toch, ge moet u dat toch zo niet aantrekken. Zeg dat cadeautje dan gewoon
af als hij het niet wil.
TANJA: Dat
is nu eens iets wat niet zal gaan se. Hij zal het moeten pakken zoals het is.
LISETTE: En
als hij het écht niet wil, dan kunt ge er misschien nog altijd iemand anders
een plezier mee doen.
TANJA: Zo
simpel is het allemaal niet.
LISETTE: ’t
Is nu niet dat ik curieus ben hé, maar nu moet ik toch echt op mijn tanden
bijten. Allez madam, vertel eens, wat hebt ge er feitelijk voor besteld?
TANJA: Och
Lisette.
LISETTE: Jamaar,
als ge het echt niet wilt verklappen, is ’t niks. Ik zal wel wachten tot het
geleverd is.
TANJA: Het
is geen cadeautje zoals gij denkt dat het één is.
LISETTE: Maar
dat is ’t hem juist, ik denk aan niks. Ik heb er absoluut geen benul van wat
het zou kunnen zijn.
TANJA: Lisette...
kunt gij zwijgen?
LISETTE: Madam... Als gij moest weten wat dat ik allemaal
weet, dan zoude gij ook nogal oogskes trekken. Maar ja, ik heb mijn
beroepsgeheim.
TANJA: Allé
kom, zet u effe neer.
LISETTE: Meent
gij dat madam?
TANJA: Ja. Ik zal u iets vertellen, maar het moet onder
ons blijven.
LISETTE: Madam,
ge kent mij hé, ik zwijg gelijk een graf.
Allé,
want ge maakt mij echt curieus.
TANJA: Ik
heb gisteren naar onze huisdokter gebeld.
LISETTE: Ge
zijt toch niet ziek?
TANJA: Neenee, dat is ’t niet.
LISETTE: Oei,
ik dacht al.
TANJA: Ziek
niet nee… maar ik denk dat ik in verwachting ben.
LISETTE: Allé
gij.
TANJA: Ik
ben er zo goed als zeker van.
LISETTE: Zeg,
gij zit hier nu toch niet tegen mij te zwansen hé madam.
TANJA: Neenee.
Ik ben serieus.
LISETTE: Proficiat
dan. En wat gaat het zijn, een jongen of
een meisje.
TANJA: Dat
weet ik nu nog niet.
LISETTE: Ge
hebt het misschien nog maar juist gefabriceerd.
TANJA: Morgenvroeg
moet ik wat urine bij de dokter binnen brengen.
LISETTE: Zo
in een potteke.
TANJA: Ja.
LISETTE: Oooh
zo’n pottekes, dat is nu iets waar ik een
hekel aan hem se. Ik mik daar altijd
naast.
TANJA: Ja.
LISETTE: ‘t
Zou veel gemakkelijker zijn als ze daar vanboven een bredere teut moesten aan
maken.
TANJA: Ja.
LISETTE: Zeg
madam, en wat zegt meneer daarvan?
TANJA: Rob...
die weet nog van niks.
LISETTE: Allé
gij.
TANJA: Ik
heb het hem gisterenavond willen vertellen, maar ’t was blijkbaar allesbehalve
het juiste moment.
LISETTE: Maar
allé madam, als gij in positie zijt, dan kunt gij ’t nu toch niet gaan aftrappen.
TANJA: Ik
weet het.
LISETTE: Waarom
doet ge dat dan?
TANJA: Rob
hé… die bedriegt mij.
LISETTE: Meneer?
TANJA: Ja.
LISETTE: Toch
niet met één van de universiteit?
TANJA: Ja.
LISETTE: Ik
heb het u gezegd hé madam dat ge daarvoor moest oppassen.
TANJA: Hij
heeft er gisteren nog mee te doen gehad.
LISETTE: Ge
bedoelt toch niet... ‘boem boem’?
TANJA: Ja.
LISETTE: En
hoe weet gij dat?
TANJA: Hij
heeft het mij vlakaf gezegd.
LISETTE: Allé
gij.
TANJA: Hij
is er met zijn gat bovenop gaan zitten.
LISETTE: Er
bovenop gaan zitten... ’t Is te hopen dat dat meisje geen te fragiel is.
En
wat zijt ge nu van plan madam?
TANJA: Och...
ik weet het allemaal niet meer.
LISETTE: Ja,
ge zou voor minder uw kluts kwijt zijn.
En
waar gaat ge nu naar toe?
TANJA: Ik
heb deze morgen naar een vriendin gebeld. Ze woont hier vlakbij en voorlopig
ga ik een paar dagen bij haar logeren. Maar euh, gij weet van niks hé. Niks
verklappen.
LISETTE: Mijn
lippen zijn verzegeld.
TANJA: Uit
zichzelf gaat hij er nooit achter komen dat ik daar zit.
LISETTE: En
daarna?
TANJA: Dan
zal hij moeten kiezen... ofwel pakt hij zijn studentin, ofwel trouwt hij mij…
met de kleine erbij.
LISETTE: Dat
zou toch het beste zijn hé. Maar euh... hoe kan meneer u iets laten weten, als
hij niet mag weten waar ge zijt?
TANJA: Ik
zal hem binnen een paar dagen wel zelf opbellen.
LISETTE: Ja,
doe dat.
TANJA En
tussendoor kunt gij hier misschien een oogske in het zeil houden.
LISETTE: Ikke
madam?
TANJA: Ja.
LISETTE: Zo
een beetje spioneren bedoelt ge?
TANJA: Ja,
waarom niet?
LISETTE. Serieus
madam, ik durf van mijn eigen zeggen dat ik daar heel goed in ben.
TANJA: Daar
twijfel ik geen moment aan. En ge laat mij maar weten wat er hier allemaal
gebeurt.
LISETTE: Jamaar
madam...
TANJA: Wat
is er?
LISETTE: Hoe
moet ik u dan verwittigen?
TANJA: Ik
zal het telefoonnummer van mijn vriendin op een papiertje schrijven en als ge
dan belt, dan vraagt ge maar naar mij.
LISETTE: Ja.
TANJA: Hier.
Kunt ge ’t lezen?
LISETTE: Geen
probleem.
TANJA: Maar
zie dat Rob het niet vindt.
LISETTE: Ik
zal het onder mijne soutien steken, daar zal hij wel niet komen zoeken.
TANJA: Dat
weet ik niet, zoals die tegenwoordig zijn handen thuis kan houden.
LISETTE: Jamaar,
bij mij moet hij niet komen frutselen. Van mijn lijf blijft hij af.
Tanja
doet de laatste kledingsstukken in de koffer.
TANJA: ’t
Is erg dat ik het zover moet drijven. Maar ik denk dat dit het enigste middel
is om hem te overtuigen.
LISETTE: Ge
hebt groot gelijk madam.
TANJA: Lisette
help eens even, ik krijg de valies niet dicht.
LISETTE: Pas
op madam, ik zal er mijn gewicht eens opzetten.
Lisette
gaat boven op de koffer zitten, terwijl Tanja ze sluit.
LISETTE: Ge
ziet het hé... dikke billen zijn toch voor iets goed.
TANJA: Alleen
had ik ze waarschijnlijk niet dicht gekregen.
LISETTE: Ik
kan er niet aan doen, maar het pakt mij toch.
TANJA: Ge
moet het u niet aantrekken. ’t Voornaamste is dat Rob eindelijk eens beslist
wat hij wil.
LISETTE: Juist.
TANJA: ’t
Moet toch niet altijd zijn goesting zijn hé.
LISETTE: Daar
hebt gij groot gelijk in. Hij zal rap genoeg ondervinden wie hij mist als gij hier
weg zijt.
TANJA: Ja,
ik hoop dat zijn oogjes eindelijk eens zullen opengaan.
LISETTE: De
kamers zal ik dan maar tot morgen laten liggen zeker.
TANJA: Maar
nee Lisette. Doe gewoon voort alsof er niks aan de hand is. En als Rob thuis
komt, zegt ge maar dat ik er vandoor ben.
LISETTE: Amaai...
ik moet daar toch nog eens over nadenken, hoe ik dat moet gaan expliceren.
TANJA: Ge
moet er geen doekjes omwinden.
Voila
se... ik ben ermee weg.
Tanja
neemt koffer en gaat naar buitendeur.
LISETTE: ’t
Is te hopen dat ge rap terug zijt.
TANJA: Dat
zal van Rob afhangen.
LISETTE: Ik
zal ‘t hem wel proberen aan zijn verstand te brengen.
TANJA: En
ik reken erop dat ge mij op de hoogte houdt.
LISETTE: Maakt
u daar maar niet ongerust over. Van ’t moment dat er hier iets gebeurt, hang ik
aan de telefoon.
TANJA: Allé, dan ben ik ermee weg.
LISETTE: Pas
op madam, ik zal de deur wel opendoen.
TANJA: Dag
Lisette.
LISETTE: Dag
madam. En pas op voor uwe kleine hé.
TANJA AF BUITENDEUR
LISETTE: Ja
meneer... Gij gaat volgens mij nog oogjes trekken, als gij hoort dat er een
kleine op komst is. Maar allé... dat is
een teken dat zijn pistool goed werkt.
Lisette pakt het kopkussen en het deken van de
zetel en gaat via de slaapkamerdeur de scène af.
LISETTE AF SLAAPKAMERDEUR
ROB en INGE OP BUITENDEUR
ROB: Volgens
mij heeft die prof ze alle vijf niet meer op een rijtje. Ik vraag mij serieus
af wanneer ik dat allemaal moet gaan doen.
INGE: Och
Rob, ik zal u wel helpen.
ROB: Het
zal nodig zijn ook.
INGE: Maar
gij maakt mijn samenvattingen van boekhouden hé.
ROB: Dàt
ook nog.
INGE: Zeg,
ge hebt het gisteren zelf beloofd.
ROB: Voor
mij staat het in ieder geval vast: als ik in juni niet slaag voor mijn examens,
dan kunnen ze van mijn part allemaal de pot op.
INGE: Hoe?
ROB: Gij
denkt toch niet dat ik mij onder ’t verlof ga zitten amuseren met een tweede
zit.
INGE: Wat
dan? Ge wilt toch niet bissen?
ROB: Inge
meiske... daar is geen haar op mijn hoofd dat daar aan denkt.
INGE: Wat
gaat ge dan doen?
ROB: Toneelschool.
INGE: Onnozelke.
ROB: Denkt
ge misschien dat ik mij niet serieus kan houden als ik een rol moet spelen?
INGE: Toneel, dat heeft nu toch niks met economie te maken.
ROB: Juist
daarom. Tegenwoordig is er heel veel
vraag naar acteurs.
INGE: Dat
is ’t eerste wat ik daarvan hoor.
ROB: Allé
Inge, met al die feuilletons op
televisie. ’t Zijn altijd dezelfde gezichten die ge ziet. En weet ge
waarom? Omdat ze er geen andere
hebben. Dat is ook economie. Een tekort
aan acteurs, dat moet opgelost worden, door er nieuwe op de markt te gooien.
INGE: Oooh
ik hoor ’t al. Ge wilt een televisieberoemdheid worden.
ROB: ’t
Is niet dat ik dat persé wil. Dat vloeit daar automatisch uit voort.
INGE: Allé, dan zien we u binnenkort in één of andere
soap.
ROB: In
zoiets belachelijk speel ik niet mee. Geef mij maar iets passioneel.
INGE: Een
seksrol?
ROB: Wie
zegt dat nu... een karakterrol ja.
INGE: Een
karakterrol... gaat gij dat kunnen?
ROB: Waarom
niet?
INGE: Dat
wil ik toch eerst zien.
ROB: Ah,
gij gelooft mij niet. Vooruit, gaat daar
eens zitten.
INGE: Waar?
ROB: In
de zetel.
Inge
gaat in de zetel zitten.
INGE: Wat
zijt gij feitelijk van plan?
ROB: Ik
zal eens een stukje van mijn acteertalent demonstreren.
INGE: Nee
Rob. Ik doe daar niet aan mee!
ROB: Maar
gij moet niks zeggen. Ge moet gewoon blijven zitten en kijken. Gij zijt mijn
publiek.
INGE: ’t
Is vet, ene man publiek, is dat nu niet wat belachelijk.
ROB: Daar
moet ge u niks van aantrekken. Gewoon kijken.
INGE: Meer
doe ik niet hé
ROB: Da’s
de bedoeling.
Allé, zijt stil dat ik me kan inleven.
Rob
legt zijn rechterhand op zijn borst en zegt heel theatraal:
ROB: “Ooh gij... mijn geliefde”
Inge
schiet in de lach.
ROB: Inge,
dat is niet om te lachen.
INGE: ’t
Zal niet zijn zeker, zoals gij daar staat.
ROB: Maar
ge moet u inbeelden dat ik hier niet ben. Hier staat iemand anders.
INGE: Amaai
zeg, voor publiek spelen is precies niet gemakkelijk.
ROB: Gij
wilde een demonstratie en ge krijgt er een. Allé, ik begin opnieuw. Zijt ge
klaar?
INGE: Wacht,
ik probeer mijne lach in te houden.
ROB: Doe
niet onnozel hé.
INGE: Ikke?
ROB: Ja,
wie anders? Wacht, ik heb een beter idee.
INGE: Wat
nu weer?
ROB: Ga
naar de keuken en op een bepaald moment roep ik: ‘Kom terug!’ en dan komt ge gewoon naar binnen.
INGE: Nee
Rob, ik heb gezegd dat ik niet mee speel.
ROB: Maar
ge moet niks zeggen.
INGE: Ik
ken dat.
ROB: Ge
komt gewoon naar binnen en ge gaat hier in de zetel zitten. Da’s alles.
INGE: Dan
ben ik publiek dat te laat komt.
ROB: Voila.
Allé, ga naar de keuken.
INGE: En
wanneer moet ik binnenkomen?
ROB: Als
ik zeg: ‘Kom terug’.
INGE: Meer
doe ik niet hé.
ROB: Binnenkomen
en gaan zitten. Da’s nu toch niet moeilijk.
INGE AF KEUKENDEUR
Rob legt zijn hand weer op zijn borst en zet zich
heel theatraal in de houding.
INGE OP KEUKENDEUR
INGE: Ik
hoor hier niks.
ROB: Da’s
ook niet moeilijk, ik heb nog geen woord
gezegd.
INGE: Zeg
eens, dat duurt nogal.
ROB: Vooruit.
Doe die deur toe.
INGE AF KEUKENDEUR
Rob legt zijn hand weer op zijn borst en zet zich
heel theatraal in de houding en fantaseert ter plaatse:
ROB: “Oh gij mijn geliefde...
LISETTE OP SLAAPKAMERDEUR
ROB: “Waarom hebt gij mij verlaten, zo totaal onverwacht?
LISETTE: Ah
meneer... gij weet het al?
ROB: Wat?
LISETTE: Dat
ze ’t afgetrapt is?
ROB: Wie?
LISETTE: Uw
madam natuurlijk.
ROB: Lisette...
ik ben toneel aan ’t spelen.
LISETTE: Gij
misschien wel. Maar uw madam meende het nochtans serieus.
ROB: Tanja?
LISETTE: Volgens
mij is ze echt parti, met valies en al.
ROB: En
waarom?
LISETTE: Ja
zeg meneer, voor ’t geen dat gij gisteren allemaal tegen haar gezegd hebt
zeker.
ROB: Ikke?
Wat heb ik nu weer gezegd?
LISETTE: Zeg,
dàt durf ik hier niet herhalen.
ROB: Lisette,
als ge ‘t weet, zeg ‘t dan.
LISETTE: Ik
zal ’t dan maar zeggen zoals het is. Het ging over uwe ‘boem’ ‘boem’.
ROB: Mijne
boemboem? Welke boemboem?
LISETTE: Allé
meneer... ‘booeem’ ‘booeemm’
ROB: Ik
kan echt niet volgen.
LISETTE: Met
die studentin.
ROB: Welke?
LISETTE: Waar
dat gij met uw gat gaan opzitten zijt.
ROB: Ikke? Op wie?
LISETTE: Op
die studentin waar ge gisteren geweest zijt.
ROB: Inge?
LISETTE: Ja,
hoe ze heet, dat weet ik ook niet.
ROB: Maar
ik heb niks met die Inge.
LISETTE: Uw
madam denkt daar toch anders over.
ROB: En
waar is Tanja nu naartoe?
LISETTE: Dat
heeft ze niet gezegd. Ik moest alleen zeggen dat ge haar niet moest zoeken.
ROB: Hoe?
LISETTE: Binnen
een paar dagen zal ze zelf wel eens bellen om te zien of ge al beslist hebt.
ROB: Wat
beslist?
LISETTE: Of
ge bij haar blijft of bij die studentin.
ROB: Maar
is die nu compleet zot aan ’t worden?
INGE OP KEUKENDEUR
INGE: Rob,
wanneer begint gij nu?
LISETTE: Wie
zijt gij?
INGE: Ik...
Inge.
LISETTE: (tegen Rob) Die studentin?
(tegen Inge) Wat doet gij in de keuken?
INGE: Ik
moest van Rob hier wachten tot hij riep.
ROB: We
waren iets aan ’t repeteren.
INGE: Een
liefdesscène. En Rob kan zich beter inleven als ik van buiten naar binnen kom.
LISETTE: Dan
is ’t toch waar.
INGE: Wat?
LISETTE: Wat
zijn madam gezegd heeft.
INGE: Wat
is er Rob?
ROB: Niks.
LISETTE: Denkt
er toch nog maar eens goed over na, voor ge met hem een affaire begint.
ROB: Lisette,
dat is toneel. Dat heeft niks met een affaire te maken.
LISETTE: Ge
hebt het gehoord hé kind. Hij is maar toneel aan ‘t spelen. Hij meent niks van
wat hij zegt.
INGE: Dat
weet ik.
LISETTE: Daar
zijn er nochtans die dat niet weten.
LISETTE AF KEUKENDEUR
INGE: Wie
is dat?
ROB: Onze
kuisvrouw.
INGE: Ik
kon niet weten dat die hier was hé.
ROB: Natuurlijk
niet.
INGE: En
wat bedoelt ze met die affaire?
ROB: Tanja
denkt dat ik met u te doen heb.
INGE: Met
mij? Hoe komt ze daarbij?
ROB: Weet
ik ‘t.
INGE: Waar
is Tanja, dan zal ik ze eens vlug aan haar verstand brengen dat daar niks van
aan is.
ROB: Ze
is ‘t afgetrapt.
INGE: Weg?
ROB: Ja.
INGE: Wanneer?
ROB: Daarstraks.
INGE: Amaai.
ROB: Ik
snap er niks van.
INGE: Dat
zal wel zijn.
ROB: Nu
wil ik toch eens weten of ze haar kleren heeft meegenomen.
Rob
wil naar de slaapkamer gaan.
INGE: Zeg
Rob, ik blijf hier niet alleen hé.
ROB: Kom
dan maar mee.
ROB en INGE AF SLAAPKAMER
LISETTE OP KEUKENDEUR
Lisette ziet dat iedereen weg is.
Ze neemt het telefoonnummer uit haar BH en draait
het nummer.
LISETTE: Is
ons madam al daar?.
...
Ons
madam, die bij u komen wonen is.
...
Madam,
’t is hier met Liesette. Zeg, ge hebt gelijk hé, die studentin is hare bonjour
hier al aan ‘t draaien.
...
En ik weet al hoe ze heet. ’t
Is een Inge.
...
Jaja,
hij is er volop mee aan ’t repeteren.
...
Een
liefdesscène.
...
Maar
‘t is écht waar. Zij moest in de keuken wachten tot meneer klaar was.
...
Ja
’t is straf. Maar volgens mij meent hij
het niet echt.
...
Hij
zegt dat het maar toneel is.
...
Ja...
ja... Ik denk dat ze nu in de slaapkamer zijn.
...
Oei
madam, ik hoor ze. Ze zijn daar. Ik moet neerleggen. Maar ik bel wel terug.
Lisette haakt de hoorn in en steekt het papiertje
met het telefoonnummer in haar bh.
ROB en INGE OP SLAAPKAMER
LISETTE: Ik
zal dan maar eens verder gaan hé meneer.
ROB: Zijt
ge daar weer met die meneer.
LISETTE: Ja
zeg, ik ben dat zo gewoon hé.
ROB: Hier
hebt ge gedaan?
LISETTE: Ja.
Alles is in orde.
ROB: Allé,
tot morgen dan.
LISETTE: Denk
er toch nog maar eens goed over na.
ROB: Ik
probeer te volgen Lisette.
LISETTE: Tot
morgen.
LISETTE AF BUITENDEUR
INGE: Wat
nu?
ROB: Ik
begrijp écht niet wat voor kuren Tanja aan ’t verkopen is.
INGE: En
waar zou ze zijn?
ROB: Weet
ik ‘t.
TELEFOON RINKELT
ROB: Ik
hoop dat ze dat is.
Hallo
met Rob.
...
(’t is hier met uw ma)
Aah
ma, dat is een verrassing. Hoe is ‘t?
...
(hoe is het ginder?)
Hier, alles goed zeker.
...
(en hoe is ’t met uw lief?)
Met
mijn lief?
...
(zeg nu niet dat ge geen lief hebt )
Ja
natuurlijk heb ik een lief. Ge wilt toch niet dat ik voor de jongens ben hé.
...
(hoe is het met dat meiske)
Met
haar is ‘t ook goed zeker.
...
(kunt ge het aan haar al zien?)
Wat
moet ik aan haar zien?
...
(kunt ge het aan hare buik al zien)
Zeg
eens ma, wat is er met hare buik?
...
(Dat ze in verwachting is)
Wat
zegt gij? Tanja in verwachting?
...
(doe nu niet of gij dat niet weet)
Maar
nee gij, hoe zou ik dat nu kunnen weten?
...
(ze heeft het in een brief naar ons geschreven)
Dat
zal dan zijn dat ze ’t eerst tegen jullie willen zeggen heeft zeker.
...
(We komen naar Leuven)
Wanneer
komt ge? (morgen) Morgen al?
...
(of hebt ge misschien niet graag dat we komen)
Maar
jawel, natuurlijk mogen jullie komen.
...
Ja
ma... ja ma.
...
(en ge moet niet zeggen dat ge het van ons weet)
Nee,
ik zal niet zeggen dat gij ’t al verklapt hebt.
...
Ja
ma... Allé, tot morgen.
Volgens
mij is ze nu kompleet zot aan ’t worden.
INGE: Wat
is er?
ROB: Nu
heeft ze naar ons ma geschreven dat ze in verwachting is.
INGE: Tanja?
ROB: Wie
anders?
INGE: Verwacht
die een kleine?
ROB: Wat
zou ‘t. Ze pakt elke dag de pil.
INGE: Waarom
zegt ze dat dan?
ROB: Weet
ik het.
INGE: En
wat zegt uw ma?
ROB: Wat
denkt ge? Die is over haar toeren natuurlijk. Ik vraag mij af wat voor stukje
komedie Tanja eigenlijk aan ’t spelen is.
INGE: Ge
kunt misschien beter Tanja naar die toneelschool sturen.
ROB: Ik
vind ‘t niet om te lachen hé. En morgen komen ons ma en onze pa naar hier.
INGE: Tof.
ROB: Die
wisten niet eens dat wij hier samenwonen.
INGE: Hebt
gij dat nooit verteld?
ROB: Maar
nee gij. Dat zijn zo van die heel conservatieve mensen. Hoe minder dat die
weten hoe beter.
INGE: Allé,
dan zijn ze nu ineens heel slim geworden.
ROB: Wat
moet ik nu doen? Ik kan toch niet gaan zeggen dat Tanja het afgebold is.
INGE: Ge
zult wel moeten.
ROB: Dan
krijgt ons ma ter plaatse een attack.
Luister
Inge... gij moet mij uit de nesten helpen.
INGE: Ikke?
ROB: Ja
gij.
INGE: Hoe?
ROB: Gij
komt morgen naar hier en gij speelt voor Tanja.
INGE: Voor
twee man publiek zeker.
ROB: Ja,
ons ma en onze pa.
INGE: Ik
heb daarstraks al gezegd dat ik met dat toneelspelen niks te maken wil hebben.
ROB: Inge...
dat is geen toneel.
INGE: Nee?
wat dan?
ROB: ’t
Is voor echt.
INGE: Zeg
eens, ik ben uw Tanja niet hé.
ROB: Morgen
wel.
INGE: Vergeet
het.
ROB: Is
dat nu echt te veel gevraagd. Ik heb voor u al zoveel gedaan.
INGE: Maar
allé Rob, wat wilt ge nu? Dat ik mij morgen kom voorstellen... zo van: ik ben
Tanja en ik verwacht een kleine.
ROB: Dat
moet ge niet zeggen, dat zullen ze zo wel zien.
INGE: Hoe? Is mijne buik zo dik?
ROB: Maar
nee. Dat gij Tanja zijt.
INGE: Rob,
dat kunt ge toch niet doen.
ROB: Waarom
niet? Die hebben Tanja nog nooit gezien.
INGE: En
pakt nu eens dat die volgende week terugkomt.
ROB: Dan
zijn ons ma en onze pa al lang weg.
INGE: Maar
hoe gaat ge dat dan achteraf expliceren?
ROB: Dat
zijn zorgen voor later.
INGE: Nee
Rob, ge moet echt niet aandringen.
ROB: Maar
gij zijt de enigste waaraan ik dat kan vragen.
INGE: Ik
ben niet van plan om voor de stommiteiten van Tanja op te draaien.
ROB: Inge, gij kent ons ma niet hé.
INGE: Nee…
en ik moet die ook niet kennen.
ROB: Merci...
Ik dacht dat gij een vriendin waart.
INGE: Dat
ben ik ook. Maar niet uw lief.
ROB: Dat
zeg ik toch niet.
INGE: En
ik wil daar ook niet voor doorgaan.
ROB: ’t
Is maar voor één dag. Morgenavond maken we ‘t terug af.
INGE: Zwijg
erover.
ROB: ’t
Is al goed. Ik zal ’t zelf wel oplossen. Maar steekt ’t in uw koppeke, aan mij
moet ge ook niks meer komen vragen.
INGE: Mij
goed.
ROB: En
die samenvattingen van boekhouden kunt ge van mijn part zelf maken.
INGE: Da’s
goed. Ik wil ze nog niet meer.
Inge
trapt het boos af.
INGE AF BUITENDEUR
ROB: Vrouwen
hé…
(Rob denkt heel even na en loopt dan naar de
buitendeur) Inge... wacht eens....
Rob
loopt naar buiten.
ROB AF BUITENDEUR
PAUZE
DERDE BEDRIJF
ROB IS OP DE
SCENE
Rob is zijn bureau aan ’t oprommelen.
ROB: Lisette, brengt nog eens een pintje!
LISETTE OP KEUKENDEUR
LISETTE: Hier
se meneer, drinkt nog maar eens goed, want ge zult het nodig hebben.
ROB: Zeg
dat wel.
LISETTE: Ja,
nu zit ge serieus in de miserie.
ROB: En
wie zijn schuld is dat denkt ge?
LISETTE: Ge
moogt het nu toch niet alleen op uw madam steken hé.
ROB: Ah
nee zeker. Eerst schrijft ze een brief
naar ons ma om te zeggen dat ze in verwachting is en dan trapt ze ’t af.
LISETTE: Gij
zijt er dus van op de hoogte?
ROB: Van
wat?
LISETTE: Awel,
dat uw madam... (maakt met haar handen
een gebaar over haar buik om aan te tonen dat Tanja in verwachting is)
ROB: Hoe?
Heeft ze dat tegen u ook al gezegd?
LISETTE: Gisteren
heeft ze daar toch iets van laten vliegen.
ROB: Dat
is toch nogal een fantasie dat die heeft hé.
LISETTE: Ik
weet het niet of dat veel met fantasie te maken heeft.
ROB: Waarom?
LISETTE: Vandaag
moest ze in ieder geval een potteke pipi binnen brengen.
ROB: Waar?
LISETTE: Bij
hare docter.
ROB: Bij
de dokter? Jamaar Lisette, die zal toch niet echt...
LISETTE: Ik
denk het wel.
ROB: Maar
hoe is dat nu mogelijk? En iedereen weet
dat hier en tegen mij heeft ze er nog geen woord over gelost.
LISETTE: Ze
zal er de kans nog niet voor gehad hebben.
ROB: Da’s
ook niet moeilijk, als ze het eerst aftrapt.
LISETTE: Maar
dàt heeft ze gedaan omdat ge geboemboemd hebt.
ROB: Met
wie geboemboemd?
LISETTE: Met
die Inge die hier gisteren was.
ROB: Lisette,
Inge is een meiske van op de unif.
LISETTE: Jamaar,
dat wil nog niet zeggen dat ge het er daarom moogt mee doen hé.
ROB: Maar
ik heb niks gedaan. En ik weet ook niet waar jullie dat vandaan halen.
LISETTE: Uw
madam denkt het nochtans.
ROB: Luistert
hé Lisette, gij moogt het gerust weten hé, zolang wij hier samen wonen, heb ik
Tanja nog geen enkele keer bedrogen.
LISETTE: Awel,
dat is heel schoon van u.
ROB: Maar
met al haar kuren die ze nu aan ’t verkopen is, zou ’t er wel eens van kunnen
komen.
LISETTE: En
uwe kleine dan?
ROB: Die
kleine, die wil ik eerst nog zien.
LISETTE: Jamaar,
daar zult ge nog een beetje geduld voor moeten hebben.
Rob
drinkt het laatste van zijn pint uit..
ROB: Hier
Lisette, zet dat maar terug in de keuken.
LISETTE: Moet
gij nog een pintje hebben?
ROB: Neenee.
Vanaf nu moet ik er mijn verstand bijhouden.
LISETTE AF KEUKENDEUR
Ondertussen
gaat de dialoog verder
LISETTE: En
wat gaat ge nu tegen uw ouders zeggen?
ROB: Ja,
daar denkt Tanja niet aan.
LISETTE: Die
zullen ook verschieten als ze horen dat uw madam er vandoor is.
ROB: Daar
heb ik allang een oplossing voor gevonden.
LISETTE OP KEUKENDEUR
LISETTE: Serieus….
ge maakt me curieus.
ROB: Ik
heb gisterenavond mijn studentencharmes laten werken en ik heb voor vandaag
een vervangster gevonden.
LISETTE: Allé
meneer, hebt gij nu weer een nieuw lief?
ROB: Een
vervangster Lisette.
LISETTE: Wie?
ROB: Inge.
LISETTE: Ik
had het kunnen denken.
ROB: Het
is anders niet simpel geweest om haar zover te krijgen. Weet ge dat ik
gisterenavond tot tien uur op haar kot gezeten heb om ze te overtuigen.
LISETTE: Uw
madam zal niet content zijn als ze dat hoort.
ROB: Wat?
LISETTE: Dat
die Inge hier haar plaats komt innemen.
ROB: Content
of niet. Ik ben hier met zoveel niet content. Mij constant van alles verdenken,
maar ondertussen zit ze achter mijne rug wel kinderen te kopen.
LISETTE: Jamaar
meneer, dat heeft ze niet alleen gedaan hé.
ROB: Ze
had me tenminste kunnen verwittigen dat ze de pil niet meer nam.
LISETTE: Volgens
mij is dat een teken dat haar moederinstinct zegt, dat het daar het moment
voor is. En als ’t moederinstinct spreekt, dan moet ge daar als vrouw naar
luisteren.
ROB: En
mijn vaderinstinct zegt, dat het daar nog veel te vroeg voor is. Maar ja, daar
wordt hier blijkbaar geen rekening mee gehouden.
LISETTE: Och
meneer, dat gaat nog zo plezant zijn als ge hier met een voituurke kunt
rondrijden.
ROB: Plezant? Ik ken veel plezanter dingen.
LISETTE: Allé
gij... en als dat manneke hier op tafel ligt en ge moet hem een verse pamper
aandoen.
ROB: Zwijg
maar stil.
LISETTE: Feitelijk
ben ik een beetje jaloers.
ROB: Ik
wil direct verwisselen.
LISETTE Weet
ge, ik zou ook graag een boeleke hebben.
ROB: Dan
moet ge aan Tanja maar eens vragen hoe ge dat kunt krijgen.
LISETTE: Dat
weet ik goed genoeg. Maar onze René hé...
ROB: Weet
die dat niet?
LISETTE: Jawel.
Die begint daar altijd zo vol enthousiasme aan, en tegen dat hij dan goed op
dreef komt, dan is hij moe.
DEURBEL
ROB: Ah
dat zal Inge zijn.
Rob
drukt de toets van de parlofoon in. Inge komt binnen.
INGE OP BUITENDEUR
Ze
heeft een zak bij met wat kleding.
INGE: Ik
ben toch niet te vroeg?
ROB: Bijlange
niet. Kom maar binnen.
LISETTE: Dag
juffrouw.
INGE: Zeg
tegen mij maar Inge hoor.
ROB: Ah
nee.
INGE Hoe?
ROB We
moeten ons direct inleven in de nieuwe situatie. Vanaf nu heet gij Tanja.
INGE: Nu
al?
ROB: Ah
ja.
LISETTE: Amaai, gij laat er ook geen gras over groeien.
ROB: Lisette,
ge moet daar niet meer achter zoeken dan het is. Dat is kwestie van inleven.
INGE: Ja,
de Rob moet zich eerst kunnen inleven voor dat hij toneel speelt.
LISETTE: Ik
kan er niet aan doen, maar ik heb er geen goed oog in.
ROB: Niet
aantrekken Lisette. Als ons ma en onze pa het maar zien zitten, dan ben ik al
content.
INGE: Zeg
Rob, ik heb wat verschillende kledingsstukken meegebracht, zeg eens wat ik
moet aantrekken.
LISETTE: Laat
eens zien meisje.
ROB: Lisette...
LISETTE: Ja
meneer.
ROB: Hebt
gij geen werk meer bij uw andere klanten?
LISETTE: Och,
ik zit daar niks mee in om deze namiddag wat langer te blijven.
ROB: Zoveel
kunt ge nu toch niet meer doen.
LISETTE: Och,
ik zal mij hier wel bezig houden.
INGE: Rob
wat denkt ge van dit hier? (toont
kleedje)
ROB: Houd
het eens voor.
LISETTE: Is
dat niet te kort kinneke?
ROB: Zeg
eens...
LISETTE: Ik
zeg dat toch maar om goed te doen.
ROB: Lisette,
ons ma en onze pa komen op bezoek.
LISETTE: ’t
Is juist daarom dat ik nog wat wil blijven. Ik ben echt curieus hoe dat ‘t gaat
aflopen.
ROB: Ik
zal u daar morgen wel een gedetailleerd verslag over geven.
LISETTE: Ik
versta het al. Als gij dan toch liever hebt dat ik vertrek, dan zal ik mijne
bazaar maar bijeenpakken.
ROB: Dat
zal ’t beste zijn.
LISETTE: Dan
kunt gij alleen uwe plan trekken.
ROB: Weet
ge wat ge nog kunt doen... laat de koffiezet nog eens doorlopen.
(tegen Inge) Koffie, dat is het enigste
drankske waar ons ma van kalmeert.
LISETTE: Dan
zal ik maar goeie straffe maken.
ROB: Ja,
doe dat maar.
LISETTE AF KEUKENDEUR
INGE: Is
het echt te kort?
ROB: Ons
ma is nogal ouderwets.
Hier,
pakt die broek maar.
INGE: Als
gij dat graag ziet. Met deze blouse?
ROB: Laat
eens zien... Bah ja, da’s goed.
INGE: Waar
kan ik dat ergens aantrekken?
ROB: Kom,
we brengen die zak naar de kamer.
Steken
vlug alle kledingsstukken in de zak en gaan af.
ROB en INGE AF SLAAPKAMER
LISETTE OP KEUKENDEUR
Lisette komt uit de keuken met een plateau waarop
enkele tassen staan. Ze zet de tassen op tafel.
Ze merkt dat Inge en Rob niet meer in de kamer
zijn. Ze neemt uit haar bh het papiertje met het telefoonnummer van Tanja en
draait.
LISETTE: Madam,
zijt gij het?
...
Dat
wit lukken. ’t Is hier Lisette hé.
...
Met
mij is alles goed, maar met uwe meneer, dat is iets anders.
...
Volgens
mij heeft dat aftrappen van u een volledig verkeerd effect op hem.
...
Weet
ge wat hij nu gaat doen? Deze namiddag gaat hij dat meisje van de universiteit
aan zijn ouders voorstellen als zijn lief.
...
Jawel
jawel, ze is al hier met een heel valies
klederen.
...
Ja
ik vind het ook straf. Volgens mij kunt gij niet beter doen als zo rap mogelijk
terug naar hier komen.
...
Maar
ik mag niet blijven. Hij heeft mij al een paar keer laten verstaan dat ik moet
weggaan.
...
Jamaar
madam, dat durf ik niet hoor…
DE DEURBEL
LISETTE: Zeg
madam, de bel gaat, ik moet neerleggen.
Kom
maar af hé.
Lisette haakt de telefoon in, steekt telefoonnummer
in BH en drukt op de zoemer om de deur te openen.
Pascale komt binnen. Ze heeft twee kookpotten bij.
PASCALE OP BUITENDEUR
LISETTE: Hier
se. Gij zijt toch die nieuw van boven hé.
PASCALE: Dat
klopt.
LISETTE: Ja, neem mij niet kwalijk dat ik nog niet langs
geweest ben, maar ik sta vandaag vreselijk achter met mijn werk.
PASCALE: Dat
geeft niet. Is Rob thuis?
LISETTE: Die
zou ik voor ‘t moment maar niet te hard storen.
PASCALE: Hij
is toch niet ziek?
LISETTE: Nee,
maar zijn ouders komen op bezoek.
PASCALE: Da’s
toch tof.
LISETTE: Och
maske, ge moest eens weten wat die allemaal rond zijn oren heeft.
PASCALE: Ik
kom eigelijk alleen maar vragen of ik dit hier effe mag opwarmen. Mijn gas is
nog altijd niet aangesloten.
LISETTE: Hebben
ze dat nu nog altijd niet komen doen?
PASCALE: Nee.
En ik heb bezoek.
LISETTE: Die
conciërge, dat is toch ook een ‘jan mijn kloten’.
Allé,
kom maar rap mee naar de keuken.
LISETTE en PASCALE AF KEUKENDEUR
DE BEL RINKELT
LISETTE OP KEUKENDEUR
Lisette drukt zoemer in van de parlofoon.
Ma komt binnen. Doet wat afstandelijk.
MA OP BUITENDEUR
LISETTE: Kom
binnen madam. Gij zijt zeker de moeder
van meneer.
MA: Van
meneer?
LISETTE: Awel
ja, van Robert.
MA: Ja,
ik ben de moeder.
En
zijt gij Tanja?
LISETTE: Ikke,
neenee madam, ik ben Lizette, de
kuisvrouw van het appartement.
MA: Ooh.
LISETTE: Allé,
kom binnen madam en trekt uw frak uit.
En
is uwe man er niet bij?
MA: Die
komt direct.
MA: Waar
is onze Robert?
LISETTE: Ik
denk dat hij in de slaapkamer zijn eigen nog wat aan ‘t prepareren is. Is zal
hem direct wel gaan roepen se. Maar zet u eerst toch neer.
MA: Dank
u.
LISETTE: Ik
zal eens direct koffie gaan halen se,
LISETTE AF KEUKENDEUR
Moeder stapt tot bij de tassen die Lisette op tafel
gezet heeft. Ze neemt een tas en blaast er eens in, alsof ze er het stof wil uitblazen.
Ze neemt ook een ondertas en zet zich neer in de salonzetel.
Zodra ze de tas en de ondertas op het salontafeltje
heeft gezet, wrijft ze met haar vanger over het salontafeltje om te zien of er
geen stof op ligt.
LISETTE OP KEUKENDEUR
Lisette
komt terug op met koffiekan.
LISETTE: Ah,
ge hebt al een tas gepakt.
Lisette doet koffie in de tas en gaat dan naar de
tafel waar de melk en suiker staan.
LISETTE Hebt
gij er graag wat melk in madam?
MA: Nee,
voor mij geen melk, dank U.
LISETTE: En
ook een klontje suiker?
MA: Neenee, ik drink hem liever zwart.
Lisette
geeft de melk en de suiker aan moeder.
LISETTE: Ik
heb hem goed straf gemaakt.
MA: Zo
heb ik hem het liefst.
LISETTE: Ja,
ik weet het. Uw zoon heeft ‘t gezegd. En… ge gaat het nodig hebben denk ik.
MA: Waarom?
LISETTE: Dat
moet u toch iets doen, als ge zo voor de eerste keer oog in oog komt te staan
met uw toekomstige schoondochter.
MA: Zeg
dat wel. Wij waren nogal verschoten toen we het nieuws vernamen.
LISETTE: Dat
kan ik mij nu eens perfect voorstellen se.
MA: Kent
hij dat meisje al lang?
LISETTE: Dat
is echt een moeilijke vraag om op te antwoorden, Zo goed volg ik dat ook
allemaal niet hé. Wacht ik zal meneer maar gaan halen.
LISETTE AF SLAAPKAMER
Ma
kijkt wat rond. Pascale komt op uit de keuken.
PASCALE OP KEUKENDEUR
PASCALE: Oh,
dag mevrouw.
Ma
verschiet als ze de dikke buik van Pascale ziet.
MA: Zeg
dat het niet waar is. Zeg dat het niet waar is.
PASCALE: Ik
was mijn eten aan ’t opwarmen in de keuken.
MA: Maar
kind toch, al zo een dikke buik.
PASCALE: Ja.
Tof hé.
MA: Hoe
is dat toch mogelijk?
PASCALE:
Ah ik ben in verwachting.
MA: Ja,
dat weet ik. Maar hoeveel maand is ’t al?
PASCALE: Zes.
MA: Al
zes... en onze Robert heeft ons daar nooit iets over gezegd.
PASCALE: Jamaar
Rob weet het zelf nog maar een paar dagen.
MA: Dat
kan toch niet? Die moet dat toch gezien
hebben.
PASCALE: Jamaar,
Rob is de vader niet hé.
MA: Ah
nee? Wie is de vader dan?
PASCALE: Mijne
man natuurlijk.
MA: Zijt
gij dan getrouwd?
PASCALE: Ja.
Maar mijne man wilt van de kleine niet weten en daarom ben ik hier komen
wonen.
MA: Maar
kinneke toch.
En
weet onze Robert dat gij getrouwd zijt.
PASCALE: Jaja.
Dat is tenminste een toffe. Hij heeft me eergisteren nog gezegd dat ik op hem
altijd een beroep mag doen.
MA: Maar
waar is die toch allemaal mee bezig?
PASCALE: Dat
weet ik niet. Maar Lisette heeft daarstraks wel gezegd dat hij van alles rond
zijn oren heeft. Allé, ik ga terug naar de keuken, want anders brandt het eten
aan.
PASCALE AF KEUKENDEUR
MA: Waar
zit die nu toch met zijn verstand?
Ma gaat naar het venster, kijkt naar beneden en
tikt tegen het raam en wenkt op vader dat hij naar boven moet komen.
LISETTE OP SLAAPKAMERDEUR
LISETTE: Hij
komt direct se.
MA: Da’s
goed.
LISETTE: Zal
ik nog een beetje koffie inschenken?
MA: Ja,
als ge wilt.
LISETTE: Is
hij straf genoeg madam?
MA: Jawel,
de koffie is prima.
ROB OP SLAAPKAMERDEUR
ROB: Dag
ma.
MA: Dag
Robert.
ROB: Is
onze pa er niet bij?
MA: Die
is een reservewiel aan ’t steken. We hadden hier in straat een platte band.
ROB: Dat
is dan een geluk met een ongeluk.
LISETTE: Zal
ik voor u ook een tasje koffie inschenken meneer?
ROB: Voor
mij niet nee.
LISETTE: Of
hebt gij misschien liever een pintje.
ROB: Nee,
laat maar. Trouwens ik denk dat we nu wel alleen verder kunnen.
LISETTE: Dat
komt goed uit, want ik was juist van plan om te vertrekken.
Madam,
daar is nog koffie in de termos hé.
MA: Dank
u.
LISETTE: Allé,
tot ik u nog eens zie. En nog veel amusement hé.
MA: Ja,
goeiedag.
LISETTE AF BUITENDEUR
ROB: t
Is een goed mens, maar een curieuze.
MA: Robert,
zet u hier eens neer.
ROB: Allé,
we gaat ‘t krijgen.
MA: Waar
zijt gij nu toch in godsnaam mee bezig. En wij thuis maar denken dat gij hier
zit te studeren.
ROB: Zeg
ma, begint niet hé.
MA: Ge
moogt het gerust weten, wij hebben deze nacht geen oog toe gedaan.
ROB: Waarom?
Is dat nu zo dramatisch?
MA: Wij
stonden aan de grond genageld toen wij die brief van Tanja lazen.
ROB: Zeg
ma, een ongelukske is rap gebeurd hé
MA: Maar
’t is toch niet omdat Tanja in haar ongeluk gelopen is, dat gij dat nu persé
ook moet willen doen.
ROB: Hoe
bedoelt ge?
MA: Ge
moet me nu niet verkeerd verstaan hé. Ik vind dat erg genoeg voor dat kind dat
ze in verwachting is. Maar dat wil toch niet zeggen dat gij daar nu perse moet
voor willen opdraaien.
ROB: Gij
vindt dus dat ik met haar niet moet trouwen?
MA: Natuurlijk
niet. Daarbij, stel u eens voor: wat
gaan wij tegen de familie moeten zeggen? Onze Robert krijgt een kleine, maar ’t
is wel een kind van een andere man?
ROB: Van
een andere man, waar haalt ge dat nu weer?
MA: Van
wie zou ik dat nu weten? Van Tanja natuurlijk.
ROB: Allé
ma, dat kan toch niet dat die kleine van iemand anders is.
MA: Ge
denkt toch niet dat ik hier wat zit te liegen?
ROB: Dat
vind ik nu helemaal straf se. Iedereen weet dat Tanja in verwachting is. Gij
moogt zelfs weten dat het van een andere man is. En tegen mij, heeft die nog
niet eens gezegd dat er een kleine op komst is.
MA: Doe
nu niet onnozel hé. Dat ziet ge nu toch zelf ook.
ROB: Awel,
mij was dat nog niet opgevallen.
MA: Als
dat waar is, stop dan maar direct met de universiteit, want dan leert ge daar precies
ook niet veel.
ROB: ’t
is economie dat ik volg hé ma. Geen poepologie.
PASCALE OP KEUKENDEUR.
Ze
heeft twee potten in haar handen
PASCALE: Rob,
kunt gij de deur effe opendoen?
ROB: Wat
doet gij hier?
PASCALE: Ik
heb in de keuken het eten opgewarmd.
ROB: Pas
op dat ge u niet verbrandt.
Kom
geeft die pot maar hier.
Ik
ben direct terug hé ma.
MA: Jamaar
Robert, blijf nu toch eens hier…
PASCALE en ROB AF BUITENDEUR.
Ma staat weer recht en kijkt weer door het venster
om te zien waar vader blijft.
TELEFOON RINKELT
MA: (Ma neemt de hoorn) Hallo? Met wie
spreek ik?
...
Met
dokter Moras?
...
Tanja, die is juist met mijn zoon naar buiten. Kan
ik misschien een boodschap doorgeven?
...
Wat
zegt u? Dat de uitslag negatief is. En wat wilt ge feitelijk daarmee zeggen
dokter?
...
Hoe
bedoelt ge: niet in verwachting?
...
Maar
enfin dokter, dat gelooft ge toch zelf niet. Dat kind loopt hier rond alsof ze
alle momenten kan bevallen.
...
Mijnheer
doktoor luister hé, ik heb zelf twee kinderen op de wereld gezet, ik zal toch
wel weten waar ik het over heb zeker.
...
Excuseer.
...
Jaja
’t is goed, ik zal het haar zo zeggen. Maar volgens mij ga ik dat niet aan haar
verstand kunnen brengen.
...
Dank
u dokter.
Haakt
hoorn in
MA. Kwakzalver!
En daar moet ge dan dokter tegen zeggen. Nu mag ik half dood vallen se, ik zou
niet willen dat die met een vinger aan mijn lijf komt.
DE BEL
Ma
doet de deur open.
PA OP BUITENDEUR
Pa komt binnen. De knieën van zijn broek zijn
zwart. Ook zijn handen zijn zwart.
MA: Albert,
hoe ziet gij er uit?
PA: Daar
was een vijs die van geen kanten los wilde.
MA: Beziet
uw broek nu eens.
PA: Oeioeioei,
daar had ik nog geen erg in.
MA: Dat
zijn plekken, die ge daar niet meer uitkrijgt.
Pa brengt zijn hand naar zijn mond en doet wat
speeksel op zijn vingers en wrijft vervolgens over zijn knie.
PA: Met
wat warm water zal het er wel uit gaan.
MA: Ik
hoop het. Vooruit, kom mee naar de keuken.
MA en PA AF KEUKENDEUR
INGE OP SLAAPKAMERDEUR
INGE: Rob!
Waar zitten die nu?
ROB OP BUITENDEUR
INGE: Zijn
ze al weg?
ROB: Ons
ma was daarjuist nog hier. Hebt ge ze niet gezien?
INGE: Hier
was niemand.
ROB: Misschien
is ze naar buiten, naar onze pa.
INGE: Vertel
eens, hoe was haar reactie?
ROB: Weet
gij dat Tanja naar ons ma geschreven heeft dat hare kleine van iemand anders
is.
INGE: Onnozelke.
ROB: Maar
ja, ons ma heeft het juist gezegd.
INGE: Van
wie is die dan?
ROB: Dat
weet ik niet.
INGE: Hoe
kan dat nu?
ROB: Die
zit mij dus constant van alles en nog wat te beschuldigen en ondertussen
kruipt ze wel met een andere in bed.
INGE: Daar
geloof ik niks van.
ROB: Ik
kan het eigenlijk zelf ook niet geloven.
INGE: Maar
waarom schrijft die nu zoiets naar uw ma?
ROB: Volgens
mij is die gewoon aan ’t flippen.
INGE: ’t
Zou kunnen.
ROB: ’t
Afbollen. Naar mijn ouders een brief sturen. Die mensen nog een beetje van de
wijs brengen door te zeggen dat de kleine van een andere is. Dan staan ze toch alle vijf niet meer op een
rijke hé.
INGE: Weet
ge wat… die heeft een prenatale depressie.
ROB: Denkt
ge?
INGE: Pas
op, een vrouw die in verwachting is, die doet soms zotte dingen.
ROB: Nog
een beetje hé en ik ga hier een of ander prenatale depressie krijgen.
INGE: En
wat nu?
ROB: Ik
weet het ook niet meer. Ons ma vindt dat ik met Tanja niet moet trouwen. Maar
ja, die zegt dat natuurlijk omdat die kleine zogezegd van iemand anders is.
INGE: Zeg
Rob, in die omstandigheden ga ik hier niet voor Tanja zitten spelen.
ROB: Maakt
het nu niet erger dan het al is hé.
INGE: Wat
moet ik dan doen? Mij seffes een beetje
op mijne kop laten zitten zeker.
ROB: Ons
ma zal niks zeggen.
INGE: Hoe
weet gij dat?
ROB: Ze
heeft gezegd dat ze compassie met u heeft.
INGE: Daar
ben ik vet mee.
ROB: Wacht
eens… ons ma heeft u nog niet gezien hé.
INGE: Nee.
ROB: Ga
dan nog eens effe terug naar de slaapkamer.
INGE: En
dan?
ROB; Ik
zal tegen ons ma proberen uit te leggen dat ge voor het moment een beetje
flipt.
INGE: Watte?
ROB: Awel
ja, dat ge er soms wat naast slaagt met uw prenataal depressie.
INGE: Zeg
eens Rob…
ROB: Jaja,
dat is ’t beste. En toen dat ge dat geschreven hebt over die andere man, toen
had gij ook een slag van de molen.
INGE: Maar
die gaan straks nog denken dat ik een zottin ben.
ROB: Ik
zal dat allemaal wel uitleggen. Allé, verstop u in de slaapkamer.
INGE: Laat
me daar niet te lang alleen hé.
ROB: Zijt
gerust, ik kom u zo rap mogelijk halen.
INGE AF SLAAPKAMERDEUR.
ROB: Als
ik nu eens wist waar Tanja was, dan wrong ik haar de nek om.
PA en MA OP KEUKENDEUR.
De
broek van pa is nu proper, maar overdreven nat.
ROB: Ha
pa, ge zijt er ook al.
PA: ’t
Is geen zicht hé.
ROB: Wat
hebt gij voor gehad?
PA: Ons
moeder heeft mijn broek eens onder handen genomen.
MA: Zijn
beste broek en dan gaat hij op zijn knieën zitten om een andere band te steken.
PA: Daar
was een vijs die ik niet los kreeg.
MA: En
moet ge daarom op uw knieën gaan zitten?
PA: Ja
zeg.
ROB: Hebt
ge ze proper gekregen?
PA: ’t
Zal niet zijn. Ik ben nat tot in mijn onderbroek.
MA: Dat
zal wel droegen.
ROB: Allé
kom, zet u neer.
Nog
een koffie ma?
MA: Ik
zal die zelf wel pakken.
ROB: En
voor u pa?
PA: Hebt
gij bier in huis?
ROB: Een
goeie student moet dat hebben hé pa.
PA: Geeft
dan maar een pintje.
ROB: Daar
zal ik eens direct voor zorgen se.
MA: Albert,
gij moet nog met de auto rijden hé.
PA: We
zijn toch nog niet weg.
ROB AF KEUKENDEUR
PA: Waar
is Tanja nu?
MA: Weet
ik het. Ik heb ze daarstraks gezien. Dat kind heeft een buik comme ça.
PA: Serieus?
MA: Maar
ja, zeker zo hé.
PA: Dan
heeft den onze er niet naast geschoten.
MA: Albert!! Gedraag u een beetje.
PA: ’t
Is goed. Ik zeg al niks meer.
MA: Daarbij,
die kleine is niet van onze Robert.
PA: Hoe?
MA: Sssst,
hij is daar.
ROB OP KEUKENDEUR
Rob
komt op met een pintje bier voor pa en voor hemzelf.
ROB: Voila se pa. Schol.
PA: Schol.
(Drinkt)
ROB: Santé
ma.
MA: Jaja.
Zeg, wij moeten met u en met Tanja nog eens deftig klappen hé.
ROB: Dat
begrijp ik.
MA: Trouwens,
waarom blijft die nu niet bij ons zitten?
ROB: Ik
zal ze seffens wel roepen.
MA: Ge
moet daar niet te lang mee wachten.
ROB: Een
beetje kalm hé ma. Tanja zit voor ’t moment in een depressie.
MA: Hoe
in een depressie?
ROB: Ja,
voor haar is dat ook allemaal een shock hé.
MA: Daarom
is ‘t beter dat we zo rap mogelijk de puntjes op de i zetten.
PA: Zeg
dat is hier geen doen met die broek hé. Ik ben kletsnat. Straks krijg ik nog
een fleuris.
MA: Toch
niet van een beetje nat op uw been zeker.
PA: Dat
water trekt helemaal omhoog. Mijn
onderlijfje is ook al nat.
MA: Allé
Albert, overdrijft nu niet.
PA: Maar
‘t is waar. Zie eens, de zetel is ook al nat.
MA: Loop
dan maar wat rond.
PA: Weet
ge wat. Ik trek een broek van onze Robert aan en dan kan deze ondertussen
drogen.
ROB: Allé
pa, mijn broeken die passen toch niet.
PA: Geeft
dan maar een pyjama.
MA: Albert!?!
PA: Maar
dat kan nu toch geen kwaad zeker, dat ik hier in een pyjamabroek zit.
MA: Wat
gaat dat meisje denken?
PA: Van
dat nat aan mijn billen word ik horendol.
MA: Soms
zijt gij een echt klein kind hé.
PA: Ge
moest gij hier zo eens zitten, dan waart ge weer aan ’t klagen van scheuten in
uw nieren.
MA: Allé
Robert, geef hem zijn goesting maar.
ROB: Ik
zal in de slaapkamer een pyjamabroek halen.
PA: Laat
maar, ik zal die daar zelf wel aantrekken.
ROB Neenee,
laat mij die maar gaan halen.
MA: Robert,
ge gaat me nu toch weer niet alleen laten. Ik heb nog geen deftig woord kunnen
zeggen.
ROB: Jamaar
ma.
PA: (tegen Rob) Zitten gij en luistert naar
wat ons ma te zeggen heeft
ROB: Jamaar
pa.
DE BEL RINKELT.
MA: Robert
de bel.
ROB: Doe
de deur eens open ma.
MA: Zoude
gij de mensen zelf eens niet binnen laten?
PA: Ik
ben direct terug.
ROB: We
zijn direct terug ma. Doe maar open.
MA: Robert,
daar is gebeld…
PA en ROBERT AF SLAAPKAMERDEUR
Moeder
opent de appartementsdeur. Pascale komt binnen.
PASCALE: Is
Rob niet hier?
MA: Nee,
die is even weg met mijne man. Maar kom binnen kinneke. En zet u hier nu eens
rustig neer.
PASCALE: Sorry,
ik heb echt geen tijd. Ik kwam eigelijk afscheid nemen.
MA: Afscheid
nemen?
PASCALE: Ja,
mijne man is bij mij blijven eten en wij hebben ons terug verzoend.
MA: Is
dat waar?
PASCALE: Ja.
MA: Maar
dat is nu eens goed nieuws se kinneke.
PASCALE: ’t
Is eigenlijk het beste zo. Mijn boeleke heeft een vader nodig hé.
MA: Ja,
dat is zeker. En daar gaat niks boven zijne échte vader.
PASCALE: Ge
hebt gelijk. Wilt gij het dan tegen Rob zeggen.
MA: Zijt
gerust, dàt zal ik zeker doen.
PASCALE: Allé
dan zal ik maar vertrekken.
MA: En
zorgt ervoor dat het tussen jullie heel goed blijft gaan.
PASCALE: ’t
Is te hopen.
MA: Ik
zal er elke dag voor bidden.
PASCALE: Da’s
vriendelijk. Tot ziens dan hé madam.
MA: Ja,
tot ziens.
PASCALE AF BUITENDEUR
MA: Hoe
is ’t mogelijk. Als dat geen geschenk uit de hemel is, dan ken ik er niks van.
Dank u Jezeke.
PA OP SLAAPKAMERDEUR
Pa komt op. Hij heeft een pyjamabroek van Rob aan.
Hij houdt met zijn hand de split van de pyjama dicht.
PA: Gij
kunt toch ook nogal een stukske overdrijven.
MA: Ik?
Met wat?
PA: Een
buik comme ça. Daar is juist niks aan te zien.
MA: Buik
of geen buik, ze is weg Albert.
PA: Hoe
weg?
MA: Ze
is komen afscheid nemen. Ze gaat terug naar haar man. We zijn ervan af.
PA: Volgens
mij is uwe koffie veel te straf.
MA: Maar
serieus, ze is het juist komen zeggen.
PA: Hoe
kan dat nu? Dat meisje is mijn broek aan ’t strijken.
MA: Waar?
PA: In
de slaapkamer.
MA: Albert,
jaagt me niet op mijn stang hé?
PA: Allé,
als ge me niet wilt geloven, dan zal ik ze roepen.
Pa
roept in de deur.
PA: Robert, kom eens rap met uw juffrouw naar ons ma!!
We
zullen nu wel zien wie er gelijk heeft.
ROB en INGE OP SLAAPKAMERDEUR
ROB: Wat
is er?
MA: Wie
zijt gij?
INGE: Ik?
Ik ben Tanja, de vriendin van Rob.
PA: Beziet
ze nu maar eens goed. Ge ziet niet eens dat ze in verwachting is.
MA: Zijt
gij Tanja?
ROB: Ze
spreekt toch Vlaams hé ma.
MA: Robert,
waar zijt gij hier in godsnaam mee bezig?
ROB: Wat
nu weer?
MA: Hoeveel
Tanja’s lopen hier feitelijk rond.
ROB: Wat
is dat nu voor een vraag. Eén natuurlijk.
PA: Volgens
mij ligt het aan hare koffie.
MA: Albert,
zwijgt stil. Vooruit, zet u neer.
PA: Dat
gaat niet.
MA: Wat
is er nu weer?
PA: Als
ik met die pyjama ga zitten, dan staat die split open.
MA: Doe
dat knoppeke dan toe.
PA: Dat
is eraf.
MA: Och
Albert…
ROB: Ma,
waarom vraagt gij dat nu?
MA: Omdat
nog geen twee minuten geleden Tanja hier bij mij aan de deur stond.
ROB: Tanja
aan de deur?
MA: Ja.
Ze kwam afscheid nemen. Ze is terug naar de echte vader van haar kind.
ROB: Dan
was die kleine toch niet van mij?
MA: Ze
heeft het vlakaf gezegd. Ik was zo content als iets dat die prullen nu
eindelijk opgelost waren en nu staat gij hier met een nieuw Tanja.
PA: Zeg
Rob, hebt gij hier niet ergens een toespeld liggen?
MA: Albert
onderbreekt me niet!
PA: Jamaar,
dan kan ik die split toedoen.
MA: Hang
het klein kind niet uit.
INGE: Ik
heb in de slaapkamer een speld zien liggen. Ik zal ze rap gaan halen.
MA: Jamaar,
ge moet nu niet gaan lopen hé. We zijn hier nog niet uitgeklapt.
INGE: Ik
ben direct terug madam.
INGE AF SLAAPKAMERDEUR
ROB: Zeg
ma, wind u nu zo eens niet op.
MA: Mijn
niet opwinden? Ik val hier van de één verrassing in de andere. Dat is hier precies
een echte harem.
ROB: Hier
ma, pakt nog een koffie.
MA: Die
zal ik nodig hebben ook.
PA: En
geeft mij nog maar een pintje.
MA: Albert,
gij moet nog met de auto rijden.
PA: Zeg,
van een pintje of twee zal ik nu toch niet weten zeker.
ROB: Ik
zal een gaan halen.
ROB AF KEUKENDEUR
MA: Straks
zijt ge weer zo zat als iets.
PA: Wat
zou het.
MA: ’t
Zal de eerste keer niet zijn.
INGE OP SLAAPKAMERDEUR
INGE: ’t
Is een wasknijper, maar dat zal ook wel gaan zeker.
PA: Jaja.
Dat zal wel gaan.
Pa
steekt wasknijper op zijn split.
PA: Voila
se.
MA: Dat
is nu toch geen zicht.
PA: Als
mijn split maar toe blijft, dan ben ik al content.
MA: Vooruit,
zet u nu neer.
ROB OP KEUKENDEUR
Rob
komt op met twee pintjes bier.
ROB: Hier
se pa.
(tegen Inge) Moet gij iets hebben?
INGE: Nee,
voor mij niks.
ROB: Ga
maar zitten.
MA: Allé,
nu willen wij eens klaar en duidelijk weten hoe dat het spel hier ineen zit, hé
Albert.
Ma geeft Albert een duw opdat hij ‘ja’ zou
antwoorden.
Maar Albert is juist aan ’t drinken en door die por
morst hij bier op zijn pyjama.
PA: Wat
doet gij nu?
MA: Begint
weer niet hé.
PA: Maar
ziet dat nu aan. Nu is mijne pyjama weer nat.
MA: Albert!
Zet dat glas neer en zwijgt.
Allé
Robert, ik luister.
ROB: Ja
zeg ma, ik weet het ook niet meer.
MA: Ah
zo, dat is uwe uitleg? Daar moeten wij het mee doen.
ROB: Zeg
ma...
MA: Allé
Albert, zegt gij nu ook eens iets.
PA: Mijn
pint is leeg.
MA: Is
dat nu al waar dat gij kunt aan denken?
PA: Maar
’t is toch waar, ik hang onder ’t bier.
ROB: Ik
zal rap een ander pint gaan halen.
MA: Neenee,
gij blijft hier.
Tanja,
nu wil ik het uit uw mond horen, hebt gij een brief naar ons geschreven.
INGE: Euh...
MA: Ja
of nee, dat is nu toch niet moeilijk.
ROB: Ja
ma. Wie zou die anders geschreven hebben.
MA: Die
Tanja die hier daarjuist aan de deur stond.
INGE: Rob,
volgens mij kunt ge het maar beter zeggen zoals het is.
MA: Albert,
hoort gij dat nu?
(Tegen Rob) Da’s plezant zeker oude
mensen op stang te jagen. Wacht maar tot ge zelf oud zijt, dan zult ge ’t wel
weten.
ROB: Luistert
hé ma... dat is Tanja niet. ‘t is Inge. Ze zit bij mij op de unief.
MA: Inge?
INGE: Ja?
MA: En
waarom schrijft gij dan een brief naar ons met de naam Tanja?
INGE: Ik
heb niet geschreven.
MA: Hoe
meer dat jullie iets uitleggen, hoe minder dat ik ervan snap.
ROB: Ma,
dat meisje dat ge daarjuist aan de deur gezien hebt, dat was Tanja. Ik dacht
dat Tanja van mij in verwachting was, maar blijkbaar heeft ze mij bedrogen met
een andere en ben in dus niet de vader. Daar komt nog bij dat Tanja ’t was
afgetrapt. Omdat jullie naar hier kwamen was ik in paniek en daarom heb ik aan
Inge gevraagd om voor Tanja te spelen. Voila. Zo simpel is ‘t.
MA: (tegen pa) Hebt gij daar nu iets van
verstaan?
PA: Mijn
pyjamabroek plakt.
MA: Och
Albert.
(Tegen Inge) En gij zijt niet in verwachting?
INGE: Absoluut
niet madam.
MA: En
ge zijt zeker dat er hier binnen vijf minuten weer niet de een of de ander
verrassing tevoorschijn komt.
ROB: Ma,
ge moogt op uw twee oren slapen, ik word geen vader.
MA: Da’s
al een heel opluchting.
ROB: Daarbij, we hebben dat allemaal gedaan voor ’t beste,
hé Inge.
INGE: Da’s
waar.
MA: ’t
Zou veel beter zijn als ge in het vervolg wat minder geheimen zou hebben voor
uw ouders. Ge ziet het, ’t komt toch allemaal uit.
ROB: Ma,
ik heb geen geheimen en heel dat gedoe met die kleine was één groot
misverstand.
MA: Allé,
dat is een pak van mijn hart.
PA: Rob,
geeft mij eens een andere pyjama. Ik stink naar het bier.
ROB: Ge
zijt toch een sukkelaar hé pa,
PA: Als
ge het maar weet.
ROB: Kom.
ROB en PA AF SLAAPKAMERDEUR
INGE: Ik
zal seffens zijn broek wel verder strijken, dan is die direct droog.
MA: Doe
geen moeite kind, die zal zo ook wel drogen.
DE BEL RINKENT
MA: Wat
nu weer?
Moeder
drukt op de zoomer.
TANJA OP BUITENDEUR
Tanja
komt op via de buitendeur. Ze ziet Inge:
TANJA: Het
is dus toch waar!
INGE: Wat?
TANJA: Dat
Rob u hier in huis heeft gehaald?
MA: Zeg
eens, wat doet gij hier feitelijk?
TANJA: Sorry
madam, maar ik woon hier.
MA: Wablief?
TANJA: En
zij heeft hier niks te maken.
MA: Wie
zijt gij?
TANJA: Tanja.
MA: Tanja?
TANJA: Ja.
Tanja.
MA: Het
begint toch weer niet opnieuw hé.
Robeeer
!!!!
TANJA: Jaja,
roept uwe zoon er maar bij.
MA: Robeeeeer
!!!!
ROBERT en PA OP SLAAPKAMERDEUR.
Pa heeft nu geen pyjamabroek maar een pyjamashort
aan.
ROB: Tanja?
TANJA: Wat
doet zij hier?
ROB: En
gij?
MA: Ja,
dat wil ik nu feitelijk ook wel eens weten.
Albert,
zet u hier neer.
ROB: Ik
dacht dat gij naar de échte vader van uw kleine waart.
TANJA: Wat
zegt gij?
ROB: Dat
hebt gij toch tegen ons ma gezegd.
TANJA: Ik
heb helemaal niks gezegd, ik ben nog maar juist hier.
ROB: Ma,
heeft ze dàt gezegd of niet?
MA: Jamaar,
dat was zij niet.
ROB: Wie
dan?
MA: Die
ander Tanja.
ROB: Welke?
MA: Awel,
dat meisje dat hier daarstraks aan ’t koken was.
ROB: Pascale???
TANJA: Wie
zit hier in mijn keuken te koken?
ROB: In
ons keuken.
TANJA: Wie
is die Pascale?
ROB: Die
in dat appartement hierboven komen wonen is. Ze hebben haar gas nog niet
aangesloten.
TANJA: En
wat doet Inge hier in huis?
ROB: Ik
heb haar gevraagd om naar hier te komen, omdat gij ‘t zonder enige reden
afgebold waart.
TANJA: Zonder
enige reden? Zijt ge misschien al vergeten dat ge eergisteren met haar in bed
gestoken hebt.
PA: (lacht) Hahaha
MA: (geeft vader een por) Albert!
INGE: Wablief???
TANJA: Ja,
zo is hij dan hé, dat hij hier in geuren en kleuren komt stoeffen hoe dat hij
‘t gedaan heeft.
MA: Robert!!!
ROB: Maar
ik heb niks gezegd.
TANJA: Ah
nee? ‘Ik ben er met mijn gat bovenop gaan zitten’.
PA: (lacht) Hahaha
MA: (geeft vader een por) Albert!!!
INGE: Daar
is niks van waar.
ROB: Natuurlijk
niet.
TANJA: Waarom
zegt gij dat dan?
INGE: Ik
ben op de valies van Pascale gaan zitten, omdat zij het slot niet los kreeg,
dat heb ik gezegd.
TANJA: Op
de valies van Pascale?
ROB: Ja.
Ze was hier komen vragen of ik haar efkes wilde helpen. Is dat nu zo erg?
TANJA: Jamaar,
ik dacht...
ROB: Ge
kunt gij veel denken.
MA: Wacht
eens, dan zijt gij ‘t die een brief naar ons heeft geschreven?
TANJA: Ja.
MA: Albert,
waaraan hebben wij dat verdiend?
ROB: Ik
dacht dat gij de pil nam.
TANJA: Dat
doe ik ook.
ROB: Hoe
kunt gij dan in verwachting zijn?
TANJA: Dat
weet ik ook niet?
ROB: Dikke
prullen ja.
TANJA: Ik
heb eergisteren een test gedaan en die was positief en deze morgen heb ik urine
naar de dokter gebracht.
MA; Toch
niet naar die kwakzalver?
TANJA: Naar
dokter Moras.
MA: Robert!!! Ze is niet in verwachting.
ROB: Ma,
moeit er u nu eens niet mee.
MA: Maar
die dokter heeft gebeld.
ROB: Wanneer?
MA: Daarstraks.
TANJA: Voor
mij?
MA: Ja.
Ge moogt op uw twee oren slapen heeft hij gezegd. Van die kleine komt niks in
huis.
TANJA: Dan
ben ik niet in verwachting.
MA: Ik
zeg het toch.
PA: Allé,
dan wordt ik geen peter.
MA: Albert!
PA: Jamaar,
dat is toch zo.
INGE: Ik
zal eens rap uw broek gaan strijken.
INGE AF SLAAPKAMERDEUR
TANJA: Dan
ben ik het voor niks afgetrapt.
ROB: Als
ge dat maar weet. Ik kon van geen kanten volgen.
TANJA: Maar
het steekt me toch dik tegen dat ge altijd rond die Inge hangt.
ROB: Tanja,
Inge is een studentin.
TANJA: Juist
daarom. Lisette heeft met goed genoeg uitgelegd hoe dat met die studentinnekes
marcheert.
ROB: Ja,
en Lisette die kan het weten. Ze is verdorie alleen maar de kleuterschool
geweest.
TANJA: Dat
wil niks zeggen.
ROB: Tanja,
ge moogt me geloven, ik heb met Inge nog nooit iets gehad.
TANJA: Echt
waar?
ROB: Erewoord.
TANJA: Allé
kom hier dat ik u eens vastpak.
ROB: Voila
se ma en pa, dat is Tanja, mijn vriendin.
PA: Volgens
mij moet dat gevierd worden. Hebt ge geen pintje?
MA: Albert!
PA: Het
laatste.
ROB: Allé,
ik zal nog een gaan halen.
ROB AF KEUKENDEUR
TANJA: En
ik ga eens plassen.
TANJA AF WC-DEUR
MA: Dat
is hier toch nogal eens iets.
PA: In
onze tijd was het allemaal anders.
MA: Zeg
dat wel. Ik was op internaat in een klooster, daar mochten geen jongens binnen.
PA: En
ik zat op café, maar daar kwamen geen meisjes.
MA: Albert!
WC-DEUR GAAT OPEN
Tanja
roept vanuit de wc.
TANJA: Rob! Roooobbbb!!!
ROB OP KEUKENDEUR
ROB: Wat
is er?
TANJA: Brengt
eens een tampaks, ik heb mijn vodden!!!